direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Woningbouw Langestraat/Mariastraat Braamt
Status: ontwerp
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Gelegen aan de noordzijde van de kern Braamt bevindt zich aan de Langestraat 21 een leegstaand winkelpand en de bijbehorende bedrijfswoning aan de Mariastraat 2. Het winkelpand aan de Langestraat 21 staat al geruime tijd leeg en doet afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Er zijn geen plannen om de locatie opnieuw in gebruik te nemen ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten. Initiatiefnemer is daarom voornemens om het leegstaande winkelpand en de bijbehorende bedrijfswoning aan de Mariastraat 2 te slopen en ter plaatse maximaal vijf grondgebonden woningen te realiseren.

Voor de locatie geldt het bestemmingsplan 'Kernen', waarbij de percelen bestemd zijn als 'Gemengd'. Het geldende bestemmingsplan biedt middels een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om na bedrijfsbeëindiging, de gemengde bestemming van de gronden te wijzigen in de bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin'. Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn een aantal voorwaarden verbonden. Hiervoor moet een wijzigingsplan worden opgesteld. Voorliggend wijzigingsplan maakt de realisatie van de nieuwe woningen mogelijk.

1.2 Plangebied

Het plangebied bevindt zich aan de noordzijde van de kern Braamt. De percelen in het plangebied staan kadastraal bekend als gemeente Montferland, sectie H, perceelnummer 2146 en 2423. Het plangebied betreft een leegstaand winkelpand met bijbehorende bedrijfswoning en parkeerterrein. Op navolgende afbeeldingen is de ligging van het plangebied in Braamt weergegeven. Het plangebied is aangeduid in het rood.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0001.jpg"

Situering van plangebied ten opzichte van Braamt (plangebied omcirkeld met rood)

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0002.jpg"

Luchtfoto plangebied (plangebied omkaderd met rood)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Kernen' vigerend. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Montferland op 30 juni 2016. Daarnaast geldt het bestemmingsplan 'Parapluherziening Wonen en Horeca', vastgesteld door de gemeenteraad van Montferland op 21 november 2019.

Op basis van dit bestemmingsplan is de locatie bestemd als 'Gemengd'. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bestemd voor dienstverlening, kantoren, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en een woning, met dien verstande dat wonen in combinatie met bedrijven in categorie 1 en/of horeca uitsluitend is toegestaan op de verdieping en met dien verstande dat wonen niet is toegestaan in combinatie met bedrijven in categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Voor het plangebied zijn de goothoogte en bouwhoogte aangegeven als respectievelijk 4 en 6 meter.

Tevens is de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachting 2' van toepassing. De voor 'Waarde – Archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Op deze gronden geldt dat voor bouwwerken groter dan 250 m2 en waarbij de grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld plaatsvinden, de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

Op basis van het geldend bestemmingsplan mag op gronden met de bestemming 'Gemengd' slechts één woning binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het voornemen is daarmee niet in overeenstemming met het huidig planologisch regime. In de bestemming 'Gemengd' is echter een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Volgens artikel 31.2 van de planregels zijn Burgemeester en wethouders bevoegd de gronden binnen de bestemming 'Gemengd' te bestemmen voor 'Wonen' en 'Tuin' na bedrijfsbeëindiging met inachtnaming van een aantal voorwaarden.

Indien aan de voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan, kan via een wijzigingsplan uitvoering worden gegeven aan de gewenste ontwikkeling.

Navolgend is een uitsnede van bestemmingsplan 'Kernen' weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0003.jpg"

Uitsnede geldend bestemmingsplan (plangebied is gelegen binnen rode omlijning )

Met dit wijzigingsplan wordt de wijzigingsbevoegdheid in artikel 31.2 van het bestemmingsplan 'Kernen' toegepast om de bestemming 'Gemengd' van het plangebied te wijzigen in de bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin'. Hiermee krijgt het plangebied dezelfde bestemming als de aansluitende gronden omliggend van het plangebied. In paragraaf 3.2.1 wordt nader ingegaan op de toetsing aan de voorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het relevante ruimtelijke provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. Hoofdstuk 4 gaat nader in op de haalbaarheid van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Hierna is in hoofdstuk 5 nader ingegaan op de juridische planaspecten. Tot slot is in hoofdstuk 6 aangegeven op welke wijze de initiatiefnemers met de betrokken partijen gecommuniceerd hebben en hoe de procedure is verlopen.

Hoofdstuk 2 Bestaande en toekomstige situatie

2.1 Huidige situatie

Het plangebied zelf bestaat in de huidige situatie uit een leegstaand winkelpand (Langestraat 21) met parkeervoorzieningen en een bijbehorende bedrijfswoning (Mariastraat 2). Ten noorden van het plangebied ligt de Langestraat en ten oosten ligt de Mariastraat. Het gebied rondom het plangebied is onderhevig aan ruimtelijke ontwikkelingen. Zo hebben recent een voormalig kerkgebouw en een parochiewoning, aan de Langestraat 18 en 20, plaatsgemaakt voor woningen. De bebouwing op het direct naastgelegen perceel, Langestraat 25, is eveneens recent gesloopt, hier zijn twee-onder-één-kapwoningen gerealiseerd. Ten oosten van het plangebied zijn een schoolgebouw en een aantal woningen gesitueerd. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich eveneens woningen.

Navolgende afbeeldingen geven een weergave van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0004.jpg"

Situatie plangebied; winkelpand, gezien vanaf de Langestraat (vanuit het noorden)

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0005.jpg"

Situatie plangebied; bedrijfswoning, gezien vanaf de Mariastraat (vanuit het oosten)

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens om het leegstaande winkelpand aan de Langestraat 21 en de bedrijfswoning aan de Mariastraat 2 te slopen en ter plaatse vijf grondgebonden woningen te ontwikkelen. De overtollige erfverharding op het perceel wordt verwijderd. In de regels van het wijzigingsplan en de verbeelding zijn de juridisch-planologische kaders van de ontwikkeling opgenomen. Zie hiervoor tevens Hoofdstuk 5 van deze toelichting.

Door de sloop van de bebouwing van het leegstaande winkelpand en de bedrijfswoning, ontstaat er ruimte voor het realiseren van vijf woonkavels binnen het plangebied. Op de navolgende afbeelding wordt de te slopen bebouwing aangegeven met een blauwe stippellijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0006.jpg"

Locatie van de te slopen bebouwing in het plangebied

Een situatieoverzicht van de voorgenomen ontwikkeling met de inrichting van het plangebied is op de navolgende afbeelding opgenomen. Concreet ziet de gewenste ontwikkeling toe op de realisatie van twee twee-onder-één-kapwoningen met de voorgevel gericht op de Mariastraat en drie rijwoningen met de voorgevel gericht de Langestraat. De beoogde woningen krijgen aan de Mariastraat een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 10 en 6 meter. De woningen aan de Langestraat krijgen een maximale bouwhoogte van 10,5 meter en een maximale goothoogte van 6 meter. Parkeren wordt op eigen terrein voorzien (9 parkeerplaatsen in totaal). Het plangebied wordt ontsloten op de Langestraat en de Mariastraat. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1.130 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0007.jpg"

Situatieoverzicht inrichting plangebied (toekomstige situatie)

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Algemeen

Bij voorliggend plan wordt gebruik gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid in het geldend bestemmingsplan 'Kernen' van de gemeente Montferland. Voor wat betreft het gemeentelijk beleid wordt dan ook in eerste instantie uitsluitend aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid getoetst (navolgende paragraaf 3.2).

Voorliggend plan wordt in overeenstemming geacht te zijn met het rijks- en provinciaal beleid, omdat de wijzigingsbevoegdheid reeds in het kader van het 'moederplan' is getoetst aan dit beleid. Wegens het belang van het aspect klimaatadaptatie wordt daarnaast ook aan de provinciale Omgevingsverordening getoetst. Daarnaast wordt het voorgenomen plan ook getoetst aan relevant overig regionaal en gemeentelijk beleid op het gebied van woningbouw. Dit wordt uiteengezet in paragraaf 3.3.

3.2 Beleid

3.2.1 Bestemmingsplan 'Kernen'

De voorgenomen ontwikkeling, het ontwikkelen van maximaal vijf woningen op de locatie van het leegstaande en beëindigde bedrijfspand aan de Langestraat 21, kan mogelijk worden gemaakt op basis van de in artikel 31.2 van het bestemmingsplan 'Kernen' opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Op basis van deze wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om de bestemming van gronden met de bestemming 'Gemengd', waar geen bedrijf meer is gevestigd, te wijzigen in de bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin'. Aan de wijzigingsbevoegdheid zijn de volgende voorwaarden gesteld:

  • a. woningen mogen uitsluitend als niet gestapelde woningen worden gebouwd, dan wel gestapeld met een beperking tot twee bouwlagen met een kap;
  • b. de woningen dienen naar aantal en soort te passen binnen het gemeentelijke woonbeleid;
  • c. artikel 'Wonen' en 'Tuin' zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing;
  • d. op geen van de gevels van de woningen mag, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege de ter plaatse toegestane grenswaarde krachtens de Wet geluidhinder overschrijden;
  • e. er dient rekening te worden gehouden met de realisering van 1,5 parkeerplaatsen per gerealiseerde woning, waarvan minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein dient te worden aangelegd;
  • f. de wijziging dient uitvoerbaar te zijn in verband waarmee in ieder geval het volgende dient te worden aangetoond:
    • 1. door middel van een bodemonderzoek dient te worden aangetoond, dat de bodem in milieuhygiënische zin geschikt is voor woondoeleinden;
    • 2. er mag geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden plaatsvinden;
    • 3. het plan voldoet aan eisen gesteld in verband met de luchtkwaliteit;
    • 4. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de ter plaatse voorkomende ecologische waarden.

Hierna wordt het voorgenomen plan per voorwaarde uit de wijzigingsbevoegdheid getoetst.

Toetsing

Ad 31.2 sub a

De beoogde woningen zijn grondgebonden woningen.

Ad 31.2 sub b

Zoals beschreven in paragraaf 3.3.3 van deze onderbouwing past de realisatie van vijf woningen en sloop van één woning naar soort en aantal binnen het gemeentelijke woonbeleid.

Ad 31.2 sub c

Het nieuwe bestemmingsplan wordt zoveel mogelijk overeenkomstig met de bouw- en gebruiksregels van de artikelen 'Wonen' en 'Tuin' van het bestemmingsplan 'Kernen' gerealiseerd;

Ad 31.2 sub d

In paragraaf 4.3 wordt aangegeven dat op geen van de gevels van de woningen, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege de ter plaatse toegestane grenswaarde krachtens de Wet geluidhinder wordt overschreden.

Ad 31.2 sub e

In het plangebied worden 9 parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd, waarbij per woning minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein wordt aangelegd. Daarmee wordt voldaan aan de parkeereis uit de wijzigingsbevoegdheid. In paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de parkeersituatie binnen het plangebied.

Ad 31.2 sub f

In Hoofdstuk 4 (Haalbaarheid) is aangetoond dat het wijzigingsplan uitvoerbaar is voor wat betreft de aspecten bodem, archeologie, luchtkwaliteit en ecologie.

Conclusie

Voorliggend plan voldoet aan alle gestelde voorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid.

3.3 Overig beleid

3.3.1 Omgevingsverordening Gelderland (Klimaatbestendigheid)

Per 1 februari 2022 is de omgevingsverordening van de provincie Gelderland geactualiseerd. De voor dit voornemen relevante aanpassing is de toevoeging van beleid voor klimaatadaptief plannen. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet worden aangetoond hoe in het plan wordt omgegaan met waterveiligheid, hitte, droogte en wateroverlast aan de hand van de klimaatatlas.

Provinciale omgevingsverordening - artikel 2.65b (klimaatadaptie)

  • 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
  • 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
    • a. waterveiligheid;
    • b. wateroverlast;
    • c. droogte;
    • d. hitte.
  • 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

Klimaatatlas

De navolgende afbeeldingen van de Klimaatatlas Montferland geven per thema een uitsnede van de kaart weer in 2050, ter plaatse van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0008.jpg"

Wateroverlast 2050 (Bron: Klimaatatlas Montferland bewerkt)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0009.jpg"

Hittestress (Bron: Klimaatatlas Montferland bewerkt)

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0010.jpg"

Droogte 2050 (Bron: Klimaatatlas Montferland bewerkt)

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0011.jpg"

Overstromingskans 200 cm (Bron: Klimaatatlas Montferland bewerkt)

Toetsing

Voorliggend plan versterkt de klimaatadaptieve leefomgeving (ter plaatse in het plangebied). Het voornemen ziet toe op een afname van het verhard oppervlak (zie paragraaf 4.9). Daarnaast worden er bij de woningen tuinen aangelegd, waarbij ook groen wordt toegevoegd met als gevolg een bevordering van de infiltratiemogelijkheden. Infiltratiekratten worden dan ook toegepast in het plangebied.

Het afnemen van de verharde oppervlakte verbetert de situatie bij hevige regenval. Het gebied is voor hevige overstroming (200 cm plus) geen kansrijk gebied. De woningen in het plangebied worden op basis van een solide (de bestaande) fundering gebouwd. Het vloerpeil van de woningen komt hierdoor ruim boven het maaiveld met een hoogte van 1 meter boven het maaiveld. Het overstromingsrisico van 50 cm op het maaiveld wordt ruim gehaald. Ook zijn de woningen niet voorzien van kelders, waardoor de overstromingskans wordt beperkt.

Ter plaatse is een verhoogde hitte gemeten, dankzij het huidige platte dak en de hoge bebouwingsdichtheid. Op basis van de mogelijkheden in dit wijzigingsplan is een lagere bebouwingsdichtheid geborgen. De woningen zijn voorzien van goede isolatie (en zonnewering), waarbij er namelijk voldaan wordt aan de nieuwe eisen op dit gebied. De binnentemperatuur in de woningen is hierdoor relatief koel bij warm weer. Tevens worden er tuinen bij de woningen aangelegd. De tuinen worden ingericht naar behoefte van de bewoners. De verwachting is dat er hierbij aanzienlijk groen wordt toegepast in de tuinen. Het groen dat veelal in de tuinen wordt aangeplant heeft een verkoelende werking binnen het plangebied en de nabije omgeving. In de huidige situatie van het plangebied is geen enkele groenvoorziening aanwezig. Het toevoegen van tuinen en schaduwtoepassing zorgt voor een verkoelend effect in het plangebied en leidt daardoor tot een verbeterde hittebestendigheid.

Gesteld wordt dat voorgenomen ontwikkeling, mede in het kader van artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening, de klimaatadaptieve leefomgeving versterkt. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op het overleg met het waterschap.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de provinciale Omgevingsverordening ten aanzien van het aspect klimaatadaptatie.

3.3.2 Liemerse Woonagenda 2020-2025

Op 13 oktober 2020 is door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland de Liemerse Woonagenda 2020-2025 vastgesteld, waarmee de agenda onderdeel is van het provinciaal beleid.

De regionale woningbouwafspraken zijn tot stand gekomen op basis van recentelijk uitgevoerd onderzoek naar de toekomstige woonbehoeftes in de Liemers en is doorvertaald naar de verschillende gemeenten. Waar men vijf jaar geleden nog bezig was met de aanstaande krimp en het terugbrengen van de nieuwbouw aantallen, voorziet men nu dat er hard aan de slag gegaan moet worden met extra locaties om in de groeiende woningbehoefte te voorzien.

In de nieuwe woningbehoefte prognoses is er geen sprake meer van een krimp in de Liemers. De prognoses uit 2019 laat tenminste tot 2040 een huishoudensgroei zien. Voor die groeiende vraag van huishoudens zullen nieuwe woningen gebouwd moeten worden. De groei is het grootst in de komende vijf jaar (ongeveer 500 woningen per jaar). Vanaf 2025 ligt deze op ongeveer 300 per jaar en na 2030 is vooralsnog een beperkte groei van 50 woningen per jaar voorzien.

Met de Liemerse Woonagenda wordt sterker ingezet op bouwen naar behoefte (zowel kwalitatief als kwantitatief) en is men afgestapt van harde afspraken over het aantal te bouwen woningen. Ten opzichte van 2017 ligt het accent nu sterk op de oplopende woningtekorten en de betaalbaarheid van woningen voor midden inkomensgroepen. Volgens het woningbehoefte onderzoek zou tot 2025 bijna de helft van het woningbouwprogramma moeten bestaan uit betaalbare koopwoningen. De gemeente moet daarom bij nieuwbouwprojecten sturen op de te realiseren prijsklassen en het aandeel sociale huurwoningen. In de kleine kernen wordt bijvoorbeeld ingezet op specifiek maatwerk met woningbouw waarmee naar aard en omvang van de kern gericht wordt ingespeeld op de lokale woningvraag met het behouden en versterken van de groene kwaliteiten van de Liemers.

Toetsing

Door de gewenste ontwikkeling worden planologisch gezien vier woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van de gemeente Montferland. Deze ontwikkeling van koopwoningen voorziet in de lokale woonbehoefte. De huidige woningvoorraad in Braamt bestaat reeds uit veel goedkope (huur)woningen, die geschikt zijn voor starters. Met de voorgenomen ontwikkeling worden vijf grondgebonden nieuwbouwwoningen gerealiseerd. Deze woningen voorzien in de behoefte naar woningen voor jonge huishoudens en startende huishoudens in de kern. Daarnaast wordt met de realisatie van voorliggend plan een bijdrage geleverd aan de gewenste doorstroming op de woningmarkt van Braamt. Ten slotte draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de verduurzaming van het woningaanbod van de gemeente Montferland.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de regionale woonagenda.

3.3.3 Notitie woningbouwbehoefte Montferland 2019-2030

Op lange termijn gaat het aantal inwoners in de gemeente Montferland dalen wat wederom invloed heeft op de huishoudenontwikkeling. Het wordt geprognosticeerd dat vanaf 2030 het aantal inwoners als ook het aantal huishoudens gaat dalen. Hoewel het aantal huishoudens vanaf 2030 daalt, zal tot 2050 het totale aantal huishoudens niet onder 15.800 dalen, zoals geprognosticeerd in Primos2017 en CBS. Tot 2030 wordt een huishoudengroei van 6,3% geprognosticeerd. In 2050 is het aantal huishoudens ten opzichte van 2018 met ca. 3% gegroeid. Door een daling in de gemiddelde huishoudgrootte stijgt het aantal huishoudens, alsmede stijgt de vraag naar kleinere woonruimtes zoals bijvoorbeeld één en twee persoons huishoudens voor 75 plussers.

70% Van de woningvoorraad bestaat uit koopwoningen, ca. 25% uit corporatiewoningen en 5% zijn commerciële huurwoningen. De huidige koopvoorraad bestaat voornamelijk uit eengezinswoningen en voor een klein deel uit appartementen. De gemeente gaat uit van een groei van de woningvoorraad die minimaal gelijk is aan de geprognosticeerde huishoudensgroei. De gemeente kiest voor de gewenste toename van de woningvoorraad tot 2030 een bandbreedte van 950 tot 1.350 woningen. De woningvoorraad is in 2030 hiermee 16.000 tot 16.400 woningen groot.

Er bestaat dus voornamelijk behoefte aan één-en tweepersoonshuishoudens in de koopsector als ook sociale huurwoningen. Ook is er behoefte aan eengezins- en levensloopbestendige koopwoningen om gezinnen en ouderen te huisvesten.

Toetsing

Voorliggend plan voorziet in de bouw van vijf grondgebonden woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Alle woningen betreffen eengezinswoningen in de koopsector. Het aantal woningen past binnen de woningbouwprogrammering. Deze woningen voorzien in de behoefte naar woningen voor jonge huishoudens en startende huishoudens in de kern. Daarnaast wordt met de realisatie van voorliggend plan een bijdrage geleverd aan de gewenste doorstroming op de woningmarkt van Braamt.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijke woonbeleid.

3.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan past binnen de wijzigingsbevoegdheid op genomen in artikel 31.2 van het bestemmingsplan 'Kernen'. Tevens past het voornemen binnen de overige relevante provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

Hoofdstuk 4 Haalbaarheid

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.1.1 Algemeen

Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat in bijlage C er direct sprake is van een m.e.r.-plicht voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden en besluiten onder de drempelwaarden zijn niet m.e.r.-plichtig. Onderdeel D geeft aan of er voor besluiten beoordeeld moet worden of er m.e.r. noodzakelijk is. Voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r-beoordeling is duidelijk of er een M.E.R. moet worden opgesteld.

4.1.2 Toetsing

Voorliggend wijzigingsplan ziet toe op de realisatie van vijf woningen op een locatie die in de huidige situatie grotendeels bebouwd is met bedrijfsbebouwing. Het wijzigingsplan maakt daarmee geen activiteiten uit bijlagen C en D van het 'Besluit milieueffectrapportage' mogelijk. Gezien de aard en omvang van de nieuwe ontwikkeling en de voorheen aanwezig functie en bebouwing op deze locatie wordt voorliggend initiatief niet als een nieuw 'stedelijk ontwikkelingsproject' beschouwd. Om die reden is geen sprake van een (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)plicht. De milieueffecten zijn overigens wel onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen 4.2 tot en met 4.10. Daaruit wordt geconcludeerd dat kan worden uitgesloten dat het wijzigingsplan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

4.1.3 Conclusie

Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, als gevolg van de realisatie van de woning in het plangebied, kunnen worden uitgesloten. Het wijzigingsplan kan zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.

4.2 Bodem

4.2.1 Algemeen

In het kader van de wijziging van het bestemmingsplan moet aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit houdt in dit geval in dat uit onderzoek moet blijken dat er geen verontreiniging aanwezig is, of dat de eventueel aanwezige verontreiniging niet schadelijk is, of welke maatregelen nodig zijn om de bodem geschikt te maken om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren.

4.2.2 Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling gaat onder andere uit van de nieuwbouw van vijf woningen. Ter plaatse is door Kruse Groep een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1.

Er zijn verhoogde waarden aan koper aangetroffen. Vanuit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de geplande herontwikkeling van het terrein. Aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en beoogd toekomstige gebruik (wonen).

De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt op basis van het onderzoek geen belemmering voor het wijzigingsplan en de beoogde nieuwbouw ter plaatse van het plangebied.

4.2.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.3 Geluid

4.3.1 Algemeen

De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten aanzien van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en/of industrielawaai.

4.3.2 Toetsing

Wegverkeerslawaai

De beoogde woningbouwlocatie ligt op de hoek van de Langestraat en de Mariastraat, waar een snelheidsregime van 30 km/uur geldt. In de omgeving van het plangebied bevinden nabij enkele wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur (Langestraat, Pastoor te Rielestraat). Op basis van de Wet geluidshinder (Wgh) gelden bij 30 km/uur-wegen geen wettelijke geluidszones. Daarnaast ligt het plangebied binnen de wettelijke zone van de Gildeweg. Er geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur voor een deel van deze weg. Hoewel ter plaatse van deze weg een snelheidsregime van 30 km/uur geldt (en de Wgh niet van toepassing is), kunnen deze wegen in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen worden in het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai.

Door BJZ.nu is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt het volgende:

De geluidbelasting ten gevolge van de Gildeweg (50 km/uur-weg) bedraagt, inclusief reductie, ten hoogste 32 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt, exclusief reductie, ten hoogste 41 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder en de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid van 48 dB. De cumulatieve geluidbelasting, de geluidbelasting van alle nabij omliggende wegen, bedraagt hoogstens 56 dB exclusief reductie. Met het realiseren van een geluidwering van de gevel van minimaal 23 dB kan een binnenniveau van 33 dB op alle gevels worden gewaarborgd en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De geluidswerendheid van 23 dB voor de buitengevel wordt opgenomen in de regels van dit wijzigingsplan.

Railverkeerslawaai

In voorliggend geval is het aspect railverkeerslawaai niet van belang aangezien het plangebied niet binnen de wettelijke geluidszone van een spoorlijn ligt. De dichtstbijzijnde spoorlijn 'Winterswijk-Zevenaar' ligt op 3,8 kilometer ten noorden van het plangebied.

Industrielawaai 

In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig en vindt eveneens geen zware bedrijvigheid plaats. Het uitvoeren van een onderzoek industrielawaai is in voorliggend geval niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijven/voorzieningen op de voorgenomen ontwikkeling, wordt verwezen naar de paragraaf bedrijvigheid en milieuzonering.

4.3.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Algemeen

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

4.4.2 Toetsing

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van vijf woningen. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan van deze omvang (minder dan 1.500 woningen) niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK)1 uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2021 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2021 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

4.4.3 Conclusie

Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.5 Externe Veiligheid

4.5.1 Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico

Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers is weergegeven en op de verticale as de kans per jaar daarop ten minste dat aantal slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

4.5.2 Toetsing

Het plan betreft de realisatie van vijf grondgebonden woningen op een terrein met een voormalig winkelpand en bedrijfswoning. Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rondom het plangebied die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de Risicokaart. Het plangebied is hier indicatief aangegeven met een blauwe ster.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0012.jpg"

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl, bewerkt)

Uit de Risicokaart blijkt dat het perceel zich niet in de buurt van risicobronnen bevindt. Gesteld wordt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen of inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Extra informatie die hierbij wordt toegevoegd is:

Rondom de planlocatie zijn geen inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel ligt op circa 2.000 meter de snelweg A18 en op ca. 750 meter een aardgastransportleiding (N-566-01). Op basis van de regeling basisnet en de Risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ook reiken de invloedsgebieden van de snelweg A18 en de aardgastransportleiding niet tot aan het plangebied.

4.5.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.6 Bedrijvigheid en milieuzonering

4.6.1 Algemeen

Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie.

Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies, zoals wonen, is de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' aanbevolen.

Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en het buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van het gebiedstype 'rustig woongebied'. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd.

4.6.2 Toetsing

Het plangebied ligt in een gebied dat voornamelijk wordt gekenmerkt door woonfuncties. Het plangebied kan dan ook het best worden ondergebracht in het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

Hinderveroorzakende functies in het plangebied

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. De woningen zelf zijn wel milieuhindergevoelig.

Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied

Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. Woningen worden in dit kader aangemerkt als milieugevoelige functies.

In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich een aantal milieubelastende functies. Deze milieubelastende functies zijn weergegeven in de onderstaande tabel met bijbehorende omschrijving, milieucategorie en grootste richtafstand op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste planologische mogelijkheden van de milieugevoelige functie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0013.jpg"

Tabel functies omgeving plangebied

Zoals in de tabel hierboven is aangegeven, ligt het plangebied buiten de richtafstanden van de milieubelastende functies in de omgeving. Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

4.6.3 Conclusie

Uit bovenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect bedrijvigheid en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.7 Geur

4.7.1 Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (c.q. het Activiteitenbesluit) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij.

De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

4.7.2 Toetsing

In de nabijheid van het plangebied (straal van 220 meter) zijn geen actieve (intensieve) veehouderijen aanwezig. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op grotere afstand (circa 750 meter), waardoor het aannemelijk is dat ter plekke van de woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het bedrijf niet belemmerd zal worden in haar ontwikkelingsmogelijkheden. Gezien de ruime afstand tot de dichtstbijzijnde veehouderij zijn er ook geen overschrijdingen van de geurnormen binnen het plangebied te verwachten.

4.7.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8 Ecologie

4.8.1 Algemeen

Voordat ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden, dienen de gevolgen voor beschermde natuurwaarden en de consequenties in het kader van de geldende natuurwet- en regelgeving in beeld te zijn gebracht.

4.8.2 Toetsing

Door BJZ.nu is een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Hierbij bevinden het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' zich op respectievelijk 9,7 kilometer van het plangebied. Gezien het type werkzaamheden en de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Overige Natura 2000-gebieden zijn gelegen op meer dan 10,0 km afstand van het plangebied. Echter is het mogelijk dat negatieve effecten op deze gebieden verwacht worden vanwege de aard van de ingreep en de afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden. Om negatieve effecten uit te sluiten wordt een effectbeoordeling stikstofdepositie aanbevolen.

Volgens de Wet natuurbescherming moet worden uitgesloten dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Een verdere toename van de stikstofdepositie is alleen toegestaan met een vergunning Wet natuurbescherming (Wnb). Daarom dient voor nieuwe plannen en projecten onderzocht te worden of er sprake is van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden.

Om die reden is door HBA B.V. in mei 2023 een AERIUS Berekening uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekening (zie Bijlage 4) blijkt dat er bij de voorgenomen ontwikkeling van vijf woningen in het plangebied in zowel de realisatiefase (de bouw) als de gebruiksfase (bewoning) geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr plaatsvindt op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken.

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone 

Het plangebied ligt op circa 700 meter van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en circa 800 meter van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.

Houtopstanden

Er worden geen bomen gekapt bij de ontwikkeling, waardoor een meld- en herbeplantingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming niet van toepassing is.

Soortenbescherming

Wat betreft soortenbescherming wordt opgemerkt dat binnen het plangebied bebouwing wordt gesloopt. Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat vervolgonderzoek nodig is ten aanzien van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen.

Vleermuizen

Om die reden is door Ecofect in juni 2023 een nader ecologisch onderzoek voor vleermuizen uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Hieronder worden kort de conclusies van het onderzoek besproken.

  • Er zijn geen verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes danwel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing;
  • Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt;
  • Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan;
  • Er gaan geen verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep.

Er zijn geen aanvullende onderzoeken of vervolgacties meer noodzakelijk.

Huismus en gierzwaluw

PM nader onderzoek huismus en gierzwaluw

4.8.3 Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9 Water

4.9.1 Beleid

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel.

In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda.

Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema’s.

Klimaatrobuust gebied

De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied

De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

Circulaire Economie en Energietransitie

Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.

Gezonde leefomgeving

Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

4.9.2 Situatie plangebied

In de huidige situatie is het plangebied ingericht als een overwegend verhard terrein bestaande uit een leegstaand winkelpand, een bedrijfswoning en parkeerruimte. In en aangrenzend aan het plangebied zijn geen beschermde watergangen aanwezig. Het oppervlakte aan verharding in de huidige situatie is 633 m2.

In de toekomstige situatie zijn in het plangebied vijf woningen met bijgebouwen, erfverhardingen en tuinen aanwezig. De totale oppervlakte aan verharding wordt 150 m2. Gesteld kan worden dat er hiermee een ruime afname is ten aanzien van de oppervlakte aan verharding in het plangebied. Het hemelwater wordt op eigen erf in de bodem geïnfiltreerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van infiltratiekratten. Op het erf is hier voldoende ruimte voor, meer dan in de huidige situatie het geval is. Er wordt immers een grote oppervlakte aan verharding gesaneerd. Daarnaast worden de woningen ruim boven het maaiveld gebouwd wat ten goede komt aan het tegengaan van wateroverlast. Het afvalwater wordt via het gemeentelijk rioolstelsel afgevoerd. Eventuele nieuwe afvalwaterlozingen moeten ook op het drukrioleringssysteem worden aangesloten. De capaciteit is voldoende voor de afvoer van het afvalwater.

4.9.3 Watertoets

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.

De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de 'Normale procedure' van toepassing is. Het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding. Op basis van de ingevulde digitale watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat er waterstaatkundige belangen zijn. Deze belangen zijn zodanig van aard en omvang dat overleg met het waterschap gewenst is. De ingevulde watertoets is als Bijlage 6 bijgevoegd.

4.9.4 Overleg

In het kader van het vooroverleg is het concept wijzigingsplan toegezonden aan het waterschap. Middels een mailreactie op 19 april 2023 heeft het waterschap geadviseerd om getalsmatig aan te geven in hoeverre de totale verharding in het plangebied afneemt door de realisatie van het plan zodat toetsing mogelijk is. Verder heeft het waterschap aangegeven dat de planontwikkeling het waterbelang niet raakt, waardoor water geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan.

4.9.5 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie

4.10.1 Archeologie

Algemeen
Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken.

Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Toetsing
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van vijf grondgebonden woningen. Het plangebied heeft een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Een archeologisch onderzoek is nodig op het moment dat de bodemingrepen groter zijn dan 250 m² en dieper gaan dan 0,4 m vanaf het maaiveld. De bodemingrepen voor de voorgenomen ontwikkeling zijn groter dan deze gestelde maten. Om die reden is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Door Laagland Archeologie BV is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. De conclusies uit het onderzoek worden hierna kort behandeld.

Conclusie en verwachting

De natuurlijke ondergrond is op 60 à 110 cm -mv aangetroffen. De natuurlijke ondergrond bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk roesthoudende dekzanden en in enkele gevallen de afzettingen van de Formatie van Kreftenheye (terrasafzettingen).

In wezen is de onverstoorde ondergrond deels binnen de voorziene diepte van de bodemingrepen aangetroffen. Eventuele archeologische sporen zijn waarschijnlijk matig geconserveerd. De overwegend roesthoudende ondergrond is echter karakteristiek voor natte omstandigheden.

Om die reden worden er geen sporen van bewoning verwacht. Op het vroegste historische kaartmateriaal was het plangebied voornamelijk in gebruik als weiland en bouwland, in de nabijheid van verspreidstaande bebouwing. Mogelijk kunnen er nog off-site sporen zoals sporen van ontginning en landinrichting aanwezig zijn.

Selectieadvies

Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen van bewoning bevat, afgezien van off-site sporen zoals sporen van ontginning en landinrichting omdat de aangetroffen bodemopbouw representatief is voor natte omstandigheden. Eventuele archeologische sporen zijn waarschijnlijk matig geconserveerd (deels verstoord).

Het archeologisch belang hiervan is laag. Om deze reden wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.

PM Selectiebesluit

4.10.2 Cultuurhistorie

Algemeen

Door de wijziging van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Om die reden is een korte analyse verricht van de ontstaansgeschiedenis en de mogelijk aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied.

Toetsing

Het plangebied kent, op basis van de Rijksmonumenten en Werelderfgoed kaart van Atlas Leefomgeving, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten. Daardoor wordt gesteld dat het plan geen negatieve invloed heeft op cultuurhistorische waarden.

4.10.3 Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.11 Verkeer en parkeren

4.11.1 Verkeer

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf grondgebonden woningen op een locatie, waar in de huidige situatie een overwegend verhard terrein gelegen is met een leegstaand winkelpand en een bedrijfswoning. De woningen worden ontsloten op de Langestraat en de Mariastraat.

Op grond van de kengetallen uit de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' uit 2018 is berekend wat de verkeersgeneratie hiervan is. Hierbij is uitgegaan van de typologie 'koop, huis, twee-onder-een-kapwoning' en 'koop, huis, tussen/hoek' met de verstedelijkingsgraad 'weinig stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Zie hiervoor navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.wpsgbrmwonlangst21-on01_0014.jpg"

Tabel verkeersgeneratie

Op basis van bovenstaande tabel blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in een worst-case scenario leidt tot een verkeersgeneratie van 38 verkeersbewegingen per weekdagetmaal, aangezien in de huidige situatie ook sprake is van een functie die zorgt voor verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen leidt niet tot een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied. De bestaande ontsluitingswegen, de Langestraat en de Mariastraat, hebben voldoende (rest)capaciteit om de extra verkeersbewegingen eenvoudig en verkeersveilig te verwerken.

4.11.2 Parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient er rekening te worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte die er ontstaat. De gemeente Montferland heeft in de wijzigingsbevoegdheid in artikel 32.1, sub e van het bestemmingsplan 'Kernen' vastgesteld dat er rekening dient worden gehouden met de aanleg van 1,5 parkeerplaatsen per gerealiseerde woning, waarvan minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein dient te worden aangelegd.

Op basis van de voorgenomen ontwikkeling worden er vijf woningen ontwikkeld, waardoor er in totaal 8 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Hiervan is het verplicht om er minstens 5 op eigen terrein te realiseren.

Qua parkeren wordt gesteld dat er op eigen terrein in voldoende ruimte voor parkeren kan worden voorzien. In het plan worden 9 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op de situatieschets in paragraaf 2.2 is te zien waar de 9 parkeerplaatsen gesitueerd worden. Per woning wordt er minimaal één parkeerplaats op eigen terrein voorzien. De parkeerplaats van de tussenwoning is geplaatst achter de tuin van de ten oosten gelegen hoekwoning. Hierdoor wordt er met het plan op een juiste wijze voldaan aan de parkeerbehoefte

4.11.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat vanuit de aspecten verkeer en parkeren er geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.12 Kabels en leidingen

Binnen het plangebied liggen geen regionale en hoofdleidingen en kabels die beperkingen opleggen ten aanzien van de voorziene ontwikkeling.

4.13 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een wijzigingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de toelichting van een wijzigingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens geldt de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke (anterieure) overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het wijzigingsplan moet worden vastgesteld.

De ontwikkeling van voorliggend plan betreft een particulier initiatief dat op particulier grondeigendom plaatsvindt. Alle kosten voor de uitvoering van het wijzigingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor planschade worden op grond van een overeenkomst ten laste gelegd aan de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 5 Juridische planaspecten

De grondslag voor dit wijzigingsplan wordt gevormd door het bestemmingsplan 'Kernen' van de gemeente Montferland. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om, onder voorwaarden, de bestemming 'Gemengd' te wijzigen naar 'Wonen' en 'Tuin'.

De regels van dit wijzigingsplan maken in juridische zin deel uit van het bestemmingsplan. Artikel 3.6 lid 1 onder a Wro bepaalt immers, dat wijzigingen worden geacht deel uit te maken van het (bestemmings)plan, met dien verstande, dat zij, zolang en voor zover de bestemming nog niet is verwerkelijkt, kunnen worden herzien op dezelfde wijze als waarop zij tot stand zijn gekomen. Het wijzigingsplan is dus onderdeel van en vormt een aanvulling op het bestemmingsplan. Een en ander betekent, onder meer, dat de regels van het moederplan ('Kernen') van toepassing zijn op de nieuwe ontwikkeling.

De gronden in het gebied zijn bestemd als 'Wonen' en 'Tuin'. De bestemming 'Tuin' is opgenomen voor de gronden die zijn gelegen langs de noord- en oostzijde van het plangebied grenzend aan de Langestraat en de Mariastraat. Het overige gedeelte van de gronden in het plangebied zijn bestemd als 'Wonen'. Op de verbeelding is binnen de bestemming 'Wonen' een bouwvlak opgenomen. De woningen moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding zijn de de aanduidingen 'twee-aaneen' en aaneengebouwd' opgenomen. Binnen de aanduiding 'twee-aaneen' is het maximum aantal wooneenheden bepaald op 2 en binnen de aanduiding 'aaneengebouwd' is het maximum aantal wooneenheden bepaald op 3. Op basis hiervan zijn in totaal vijf woningen toegestaan in het plangebied. Daarnaast is binnen de bestemming 'Wonen' een aanduiding 'bijgebouwen' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding is alleen een bijgebouw toegestaan. De maximale bouwhoogte van de twee-aaneengebouwde woningen bedraagt 10 m. De maximale bouwhoogte van de aaneengebouwde woningen bedraagt 10,5 m. De maximale goothoogte van de vijf woningen bedraagt 6 m.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Participatie

De initiatiefnemer heeft contact gehad met onder andere de eigenaar van naastgelegen terrein. Deze ontwikkelt de omliggende gronden tot woningen. De betreffende ontwikkelaar geeft aan geen bezwaren te zien ten aanzien van het in dit wijzigingsplan onderbouwde beoogde planvoornemen.

Daarnaast heeft initiatiefnemer diverse omwonenden in de Langestraat en de Mariastraat gevraagd naar hun mening over de plannen. Allen hebben hierbij aangegeven positief tegenover de plannen te staan, waardoor het voorgenomen plan inhoudelijk niet is aangepast.

6.2 Zienswijzen

Het ontwerpwijzigingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de periode dat het ontwerpwijzigingsplan ter inzage ligt, kunnen door een ieder zienswijzen naar voren worden gebracht.

Te zijner tijd worden in deze paragraaf of in een separate bijlage de eventuele zienswijzen verwerkt.