direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Nieuw-Dijk, Dorpsplan
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 27 september 2018 heeft de gemeenteraad het beleidskader welzijnsvoorzieningen vastgesteld. In dit kader is voor een zestal kernen een investeringsbijdrage van 250.000 euro beschikbaar gesteld voor dorpsplannen. Ook voor de kern Nieuw-Dijk is een dorpsplan opgesteld. Op basis van het dorpsplan zijn in Nieuw-Dijk een aantal ontwikkelingen voorzien. Voor de ontwikkelingen die op basis van het geldende planologische regeling nog niet mogelijk zijn, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

Eén van deze ontwikkelingen betreft het realiseren van maximaal dertien woningen op de locatie van het huidige dorpshuis en de Schutterijvereniging (deelgebied Smallestraat). Daarnaast wordt er op het terrein van v.v. Sprinkhanen een multifunctionele accommodatie (hierna: MFA) en vier woningen gerealiseerd (deelgebied Meikamerlaan). Het bestaande clubgebouw van de voetbalvereniging wordt hierbij gesloopt.

Voor beide deelgebieden geldt het bestemmingsplan 'Kernen', vastgesteld op 30 juni 2016 door de raad van de gemeente Montferland. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn de genoemde ontwikkelingen niet toegestaan. Om deze mogelijk te maken, is de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied valt op te delen in twee deelgebieden, namelijk deelgebied Smallestraat en deelgebied Meikamerlaan. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding, horend bij dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0001.jpg"

Globale ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0002.jpg"

Globale begrenzing plangebied

Deelgebied Smallestraat

De locatie Smallestraat ligt in het meest zuidoostelijke puntje van Nieuw-Dijk. De locatie ligt aan de kruising van de Smallestraat en de Meikamerlaan, die ten noorden van de locatie ligt. Aan de oost- en zuidzijde van de locatie bevindt zich een weiland. De westkant grenst deels aan een weiland en deels aan een bestaande woning met bijbehorende tuin.

Deelgebied Meikamerlaan

De locatie Meikamerlaan ligt in het zuidoosten van Nieuw-Dijk. De locatie ligt aan de Meikamerlaan, die zich ten westen van de locatie bevindt. De noordzijde grenst deels aan een bestaand bos, en deels aan de sportvelden van v.v. Sprinkhanen. De oostzijde grenst volledig aan de sportvelden. De zuidzijde grenst aan tuinen van de bestaande woningen aan de Smallestraat.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

1.3.1 Algemeen

Voor het plangebied gelden hoofdzakelijk twee bestemmingsplannen, namelijk bestemmingsplan 'Kernen' (vastgesteld door de raad op 30 juni 2016) en bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld door de raad op 6 november 2013, en daarna meerde malen herzien). Op de regelingen van deze bestemmingsplannen voor het plangebied wordt in de volgende twee paragrafen nader ingegaan.

Ter plaatse van het bestemmingsplan 'Kernen' geldt tevens het bestemmingsplan 'Parapluherziening Wonen en Horeca' dat door de raad van de gemeente Montferland is vastgesteld op 21 november 2019. Dit bestemmingsplan is opgesteld om de regie te houden op de huisvesting van arbeidsmigranten. Voor zover van toepassing zijn de regels uit dat bestemmingsplan opgenomen in onderhavig bestemmingsplan.

Voor de gronden die vallen onder het bestemmingsplan 'Buitengebied' geldt tevens het facetbestemmingsplan 'Zonnepanelen Buitengebied'. Dit bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van een planologische afwijkingsmogelijkheid in de geldende regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De afwijkingsmogelijkheid maakt het ten behoeve van duurzame energieopwekking, onder bepaalde voorwaarden, mogelijk om een grondopstelling met zonnepanelen te realiseren in de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’ (aansluitend aan het bestemmingsvlak ‘Wonen’).

1.3.2 Bestemmingsplan 'Kernen'

Op navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van het bestemmingsplan 'Kernen'. De begrenzing van voorliggend plangebied is daarop met een blauwe stippellijn weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0003.jpg"

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Kernen'

Voor deelgebied Meikamerlaan geldt het bestemmingsplan 'Kernen'. Op grond van dat bestemmingsplan is voor het deelgebied grotendeels de bestemming 'Sport' toegekend. Volgens de regels, behorende bij de bestemming, zijn de gronden bestemd voor sportvoorzieningen en bij de sportvoorziening horende parkeervoorzieningen met bijbehorende rijbanen, tuinen, paden, groenvoorzieningen en andere voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen. Een klein deel aan de westzijde van het plangebied is bestemd als 'Groen'. Deze gronden zijn bestemd voor groen- en speelvoorzieningen, dierenweiden, watergangen en -partijen, geluidwerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten, en andere, ondergeschikte verhardingen. De realisatie van vier vrijstaande woningen en een MFA is op basis van het bestemmingsplan 'Kernen' niet toegestaan, omdat deze niet passen binnen de regels van de bestemming 'Sport'.

Deelgebied Smallestraat valt deels binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Kernen'. De gronden van deelgebied Smallestraat waarvoor het bestemmingsplan 'Kernen' geldt, zijn bestemd als 'Gemengd'.

Volgens de regels, behorende bij de bestemming 'Gemengd', zijn de gronden, onder voorwaarden, bestemd voor verschillende functies, waaronder maatschappelijke voorzieningen, cultuur en ontspanning. Ter plaatse van de bestaande bebouwing is een bouwvlak opgenomen. Op grond van de regels is qua oppervlakte het bestaande oppervlak aan bebouwing toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 12 m.

De realisatie van nieuwe woningen ter plaatse van deelgebied Smallestraat is op grond van het bestemmingsplan 'Kernen' niet toegestaan omdat, deze niet passen binnen de regels van de bestemming 'Gemengd'.

Beide deelgebieden kennen tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 4' ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden.

1.3.3 Bestemmingsplan 'Buitengebied'

Voor het zuidelijke en oostelijke deel van deelgebied Smallestraat geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van de geconsolideerde versie van het bestemmingsplan (d.d. 26 april 2022) weergegeven met een blauwe stippellijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0004.jpg"

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied' (geconsolideerde versie)

Op grond van het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied' geldt ter plaatse van het deelgebied Smallestraat deels de bestemming 'Agrarisch, 'Bos' en 'Water'. Volgens de regels, behorende bij de bestemming 'Agrarisch', zijn deze gronden, onder voorwaarden, bestemd voor aan agrarisch gebruik gerelateerde bedrijfsactiviteiten. De gronden binnen de bestemming 'Bos' zijn onder meer bestemd voor instandhouding van bos ten behoeve van aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen natuur- en landschapswaarden en bosbouw voor zover de eerder genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast. De gronden met de bestemming 'Water' zijn bestemd voor watergangen, waterpartijen e.d.

Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied' is de realisatie van nieuwe woningen binnen deelgebied Smallestraat eveneens niet toegestaan, omdat de regels van de geldende bestemmingen woningen niet mogelijk maken.

Voor het zuidwestelijke deel van deelgebied Smallestraat geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 5) en de uitkomsten van de gevolgde procedure (Hoofdstuk 6).

Hoofdstuk 2 Gebieds- en planbeschrijving

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling omschreven. Hierbij wordt als eerste ingegaan op de bestaande situatie in het plangebied, waarna de beoogde ontwikkeling nader toegelicht wordt.

2.2 Bestaande situatie

Op navolgende afbeelding is een vogelvluchtbeeld van beide deelgebieden weergegeven door middel van een gele stippellijn. De vogelvluchtfoto is genomen vanuit het oosten. Links bovenin is deelgebied Smallestraat te zien, en rechtsonder deelgebied Meikamerlaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0005.jpg"

Vogelvluchtfotobeeld beide deelgebieden

Deelgebied Smallestraat

Dit deelgebied biedt in de huidige situatie ruimte aan het dorpshuis 'Meikever' en de schuttersvereniging 'RK Schutterij St. Antonius Nieuw-Dijk'. Het dorpshuis staat op een gazon dat deels is omzoomd door een smalle strook bosplantsoen.

Voor het dorpshuis is verharding aanwezig. Aan de westzijde van het dorpshuis staat een klein gebouw van de schutterij en een vogelopstelling voor het koningsschieten.

Op de navolgende afbeelding is de bebouwing van het dorpshuis weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0006.png"

Huidige bebouwing dorpshuis aan de Smallestraat

Deelgebied Meikamerlaan

Deelgebied Meikamerlaan is in de huidige situatie in gebruik als voetbalveld van v.v. Sprinkhanen. Dit voetbalveld wordt aan de noord-, west-, en zuidzijde omzoomd door bomenrijen. Aan de noordzijde is een voetpad aanwezig die, vanaf de Meikamerlaan, tussen een dubbele bomenrij doorloopt richting de overige voetbalvelden.

De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie in deelgebied Meikamerlaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0007.png"

Impressie huidige situatie voetbalveld, gezien vanuit het westen

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0008.png"

Aanzicht Meikamerlaan, gezien vanuit het noorden (links op de foto is het voetpad met daarnaast het voetbalveld zichtbaar)

2.3 Toekomstige situatie

2.3.1 Algemeen

Het bestemmingsplan ziet toe op de realisatie van een MFA en woningen (in totaal maximaal zeventien). In deelgebied Meikamerlaan wordt op de locatie van het voetbalveld een nieuw MFA gebouwd, dat ruimte zal bieden aan de sport- en welzijnsactiviteiten van Nieuw-Dijk. Onder andere de voetbalvereniging, schutterij, muziekvereniging, carnavalsvereniging en ouderen zullen gebruik maken van de MFA. De MFA zal ook als dorpshuis en sporthal fungeren.

Met het nieuwe MFA komen de locaties van de schutterij en het huidige dorpshuis Meikever (deelgebied Smallestraat) en de rest van het voetbalveld vrij voor woningbouw.

Het plan geeft met de nieuwe MFA een impuls aan de sport- en welzijnsactiviteiten en daarmee de leefbaarheid van Nieuw-Dijk. Met de realisatie van de woningen wordt tevens voorzien in een actuele behoefte aan woningen in de gemeente Montferland.

Navolgend wordt nader ingegaan op de invulling van beide deelgebieden.

2.3.2 Deelgebied Smallestraat

De bestaande bebouwing van het dorpshuis en de schuttersvereniging wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats zal dit deelgebied ruimte gaan bieden aan maximaal dertien grondgebonden woningen van verschillende woningtypes.

De exacte invulling van het plangebied is nog niet bepaald. In de regels van het bestemmingsplan en de verbeelding zijn echter de juridisch-planologische kaders van de herontwikkeling van het plangebied opgenomen. Zie hiervoor tevens paragraaf 5.2.1 van deze toelichting. De maatvoering van de beoogde woningen schikt zich bijvoorbeeld naar de stedenbouwkundige kenmerken van de bestaande bebouwing in de omgeving van het plangebied. Zo dient er voldoende afstand te worden gehouden tot de zijdelingse perceelsgrenzen. En bedraagt de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de woningen die gelegen zijn aan de Smallestraat respectievelijk 4 m en 9 m. De overige woningen hebben een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 m en 10 m.

De navolgende stedenbouwkundige schets geeft een mogelijke invulling van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0009.jpg"

Stedenbouwkundige schets mogelijke invulling deelgebied Smallestraat

In voorgaande schets is een invulling opgenomen, waarbij geprobeerd is om zoveel mogelijk bestaande bomen in het deelgebied te behouden. Op de schets is ook een ontsluitingsweg opgenomen. Deze weg loopt aan de zuidzijde door en kan op termijn tevens dienen als ontsluitingsweg van de woningen die mogelijk in de toekomst ten zuiden van Nieuw-Dijk worden gerealiseerd. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat de aansluiting van deze ontsluitingsweg moet plaatsvinden ter hoogte van de bestaande T-splitsing Meikamerlaan/Smallestraat, zodat hier een kruising ontstaat.

2.3.3 Deelgebied Meikamerlaan

Het voetbalveld binnen dit deelgebied zal ruimte gaan bieden aan de MFA. Daarnaast worden aan de Meikamerlaan vier vrijstaande woningen gerealiseerd. De woningen worden ook georiënteerd op de Meikamerlaan.

De navolgende afbeelding geeft de mogelijke inrichting van met name de nieuwe vrijstaande woningen weer. Ten oosten van de woningen is de gereserveerde ruimte voor de MFA opgenomen. Binnen het witte vlak zal de MFA worden gerealiseerd, maar deze zal qua oppervlakte kleiner zijn dan het ingetekende vlak. De MFA krijgt een maximale bouwhoogte van 8 m. De MFA zal bereikbaar zijn via de bestaande ingang van het sportpark van v.v. Sprinkhanen aan de Smallestraat. De MFA is tevens (voor fietsers en voetgangers) bereikbaar via het pad aan de Meikamerlaan. Tussen de woonpercelen en de MFA wordt een groenstrook ingericht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0010.jpg"

Stedenbouwkundige schets mogelijke invulling deelgebied Meikamerlaan

Op de afbeelding zijn de boomkronen van de huidige bomen rijen aan de noord-, west-, en zuidzijde van het deelgebied opgenomen. De bestaande bomen rondom het plangebied, blijven in principe behouden. In de stedenbouwkundige opzet (en in de regels en op de verbeelding) is rekening gehouden met de boomkronen (zie hiervoor tevens paragraaf 3.4). De woningen worden buiten de boomkronen op enige afstand ervan gerealiseerd. Dit heeft een positief effect op de duurzame instandhouding van de bomen en de daglichttoetreding voor de nieuwe woningen.

De maatvoering van de beoogde woningen schikt zich naar de stedenbouwkundige kenmerken van de bestaande bebouwing in de omgeving van het plangebied (Meikamerlaan). Om die reden bedraagt de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de woningen respectievelijk 4 m en 9 m.

Het parkeren ten behoeve van de woningen vindt op het eigen erf van de woningen plaats. De woningen worden ontsloten via een gezamenlijke oprit die tussen twee bomen loopt, waarbij voldoende ruimte wordt gehouden tot de stam van deze bomen (zie hiervoor eveneens paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In deze paragraaf wordt een analyse gegeven van het relevante beleidskader. De beleidsnota's die direct of indirect doorwerken in voorliggend bestemmingsplan, worden in deze paragraaf behandeld. Per bestuurslaag is een korte samenvatting gegeven van de meest relevante aspecten uit de verschillende beleidsnota's, alsmede de consequenties voor het voorliggende plan.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving:

  • De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
  • Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie;
  • Steden en regio's sterker en gezonder maken;
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • Afwentelen wordt voorkomen.


De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6, lid 2  van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening.

Met de ladder worden eisen gesteld aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

3.1.3 Toetsing rijksbeleid

Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Voorliggende ontwikkeling zou kunnen worden aangemerkt als een woningbouwlocatie. Deze term is echter niet gedefinieerd in het Bro. Uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4) blijkt dat woningbouwplannen met elf woningen niet hoeven te worden aangemerkt als woningbouwlocatie, maar grotere woningbouwplannen wel.

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een MFA. Daarbij worden de bestaande sport- en welzijnsactiviteiten in Nieuw-Dijk gebundeld op één locatie. Naast de MFA worden tevens zeventien nieuwe woningen gerealiseerd. Daardoor wordt de ontwikkeling aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden is er door Buro Ontwerp & Omgeving een toets aan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2. Hieronder worden de uitkomsten van het onderzoek kort behandeld.

De MFA zal ruimte bieden aan vrijwel alle sport- en welzijnsactiviteiten van Nieuw-Dijk. Onder andere de voetbalvereniging, schutterij, muziekvereniging, carnavalsvereniging en ouderen zullen gebruik maken van de MFA. De MFA zal ook als dorpshuis en sporthal fungeren. Met de realisatie van de MFA is sprake van een verplaatsing van functies die eerder in deelgebied Smallestraat en nu in deelgebied Meikamerlaan een plek krijgen. De functies verplaatsen daarmee binnen het plangebied. Met het initiatief voor de MFA wordt voorzien in een concrete, directe behoefte. Vanwege het voorgaande is de behoefte aan de MFA voldoende aangetoond. Om die reden is in de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking alleen ingegaan op de behoefte aan de beoogde zeventien woningen.

Met het initiatief wordt er een bijdrage geleverd aan het voorzien in de kwantitatieve woningbouwbehoefte in de regio Arnhem-Nijmegen en meer specifiek de gemeente Montferland. Het initiatief voegt zeventien woningen toe aan de voorraad. Het plan voorziet in een variëteit aan woningtypen, die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen. Deels worden koopwoningen gerealiseerd die ruimte kunnen bieden aan gezinnen en senioren (vrijstaande woningen en eventueel twee-aaneengebouwde woningen). Daarnaast worden rijwoningen gerealiseerd die kunnen worden aangemerkt als sociale huurwoning, betaalbare koop, dan wel middenhuur. Het toevoegen van verschillende type woningen zorgt voor doorstroming op de markt en voor het bedienen van een zo groot mogelijke groep woningzoekenden. Het initiatief sluit aan op de kwalitatieve woningbehoefte in het ruimtelijk verzorgingsgebied.

Geconcludeerd wordt dat met het initiatief binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de (her)ontwikkellocatie. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Met de ontwikkelingen binnen het plangebied zijn geen overige nationale belangen gemoeid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie

Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.

Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan:

  • energietransitie;
  • klimaatadaptatie;
  • circulaire economie;
  • biodiversiteit;
  • bereikbaarheid;
  • economisch vestigingsklimaat;
  • woon- en leefklimaat.

Voor dit bestemmingsplan zijn de ambities voor klimaatadaptatie en het woon- en leefklimaat van toepassing.

Woon- en leefklimaat

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.

Klimaatadaptatie

Het klimaat is merkbaar aan het veranderen, waarbij hoosbuien, extreme hitte en langdurige droogte hierbij goede voorbeelden van zijn. Provincie Gelderland wil zich voorbereiden op het veranderende klimaat door in te zetten op het tegengaan van de bijbehorende risico's en gevaren. Dit heeft prioriteit: In 2050 wil Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. De provincie Gelderland werkt hierbij vooral vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de variatie van de Gelderse streken.

De provincie Gelderland wil met haar partners verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving nemen we de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan. Klimaatbestendig werken is daarbij voor de provincie Gelderland een logische voorwaarde als er samengewerkt wordt met anderen. Verschillende ontwikkelingen binnen toerisme en recreatie horen hier ook bij. Deze ontwikkelingen wil de provincie Gelderland benutten. Hierbij is het van belang dat de ontwikkelingen passen bij de Gelderse kwaliteiten. De provincie streeft naar een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid zodat Gelderland versterkt wordt voor nu en in de toekomst.

3.2.2 Omgevingsverordening

De provincie Gelderland beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De omgevingsverordening is op 24 september 2014 vastgesteld en daarna meerdere malen geactualiseerd.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

Ten aanzien van voorliggend wijzigingsplan zijn de regels ten aanzien van de onderwerpen 'wonen' en 'klimaatadaptatie' relevant.

Wonen

In de verordening wordt aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma, successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.

Instructieregel klimaatadaptie (art. 2.65b)

De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte.

3.2.3 Toetsing provinciaal beleid

Met de uitvoering van het dorpsplan wordt een impuls gegeven aan het voorzieningenniveau in Nieuw-Dijk. Met de realisatie van de zeventien woningen binnen het bestaand stedelijk gebied van Nieuw-Dijk wordt tevens voorzien in een actuele behoefte aan woningen in de gemeente Montferland. De nieuwe bebouwing wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande bebouwingsstructuur in de omgeving van het plangebied. De voorgenomen realisatie van zeventien woningen is opgenomen in het woningbouwprogramma van de gemeente Montferland dat regionaal is afgestemd met de regio 'De Liemers' (zie paragraaf 3.3.1).

Voor het plangebied worden meerdere maatregelen met betrekking tot klimaatadaptatie toegepast. Het plangebied zal klimaatrobuust worden ingericht. Naast de ontwikkeling van het onderhavige plangebied zullen ook de voetbalvelden klimaatadaptief ingericht worden.

Tussen de te realiseren woningen aan de Meikamerlaan en de MFA wordt een 'groene buffer' gerealiseerd. De bomen langs de Meikamerlaan zullen zoveel als mogelijk ingepast worden. Het groen tussen de woningen en de MFA vormt naast een buffer voor geluid van de MFA en het sportpark ook een mogelijkheid voor het klimaatadaptief inrichten van het plangebied. In deze groene zone kan waterberging plaatsvinden, het opgevangen water vormt dan een buffer voor de droge periodes.

Voor deelgebied Smallestraat is nog geen definitieve inrichting bepaald. Wel geldt het uitgangspunt dat minimaal 25% van het gebied onverhard zal worden ingericht. Dit biedt mogelijkheden voor klimaatadaptieve maatregelen zoals hiervoor beschreven. Ook voor de te verharden delen van het plangebied kunnen klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen getroffen worden.

Deze maatregelen hebben een positief effect op het voorkomen van wateroverlast, droogte en hittestress. Het aspect waterveiligheid speelt niet in het plangebied.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Liemerse Woonagenda 2020-2025

Op 13 oktober 2020 is door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland de Liemerse Woonagenda 2020-2025 vastgesteld. Bij de vaststelling van de Liemerse Woonagenda is aangegeven dat Woonvisie Montferland 2016-2020 van de gemeente nog het geldend beleidskader is.

De regionale woningbouwafspraken zijn tot stand gekomen op basis van recentelijk uitgevoerd onderzoek naar de toekomstige woonbehoeftes in de Liemers en is doorvertaald naar de verschillende gemeenten. Waar men vijf jaar geleden nog bezig was met de aanstaande krimp en het terugbrengen van de nieuwbouw aantallen, voorziet men nu dat er hard aan de slag gegaan moet worden met extra locaties om in de groeiende woningbehoefte te voorzien.

In de nieuwe woningbehoefte prognoses is er geen sprake meer van een krimp in de Liemers. De prognoses uit 2019 laat tenminste tot 2040 een huishoudensgroei zien. Voor die groeiende vraag van huishoudens zullen nieuwe woningen gebouwd moeten worden. De groei is het grootst in de komende vijf jaar (ongeveer 500 woningen per jaar). Vanaf 2025 ligt deze op ongeveer 300 per jaar en na 2030 is vooralsnog een beperkte groei van 50 woningen per jaar voorzien.

Met de woonagenda wordt sterker ingezet op bouwen naar behoefte (zowel kwalitatief als kwantitatief) en is men afgestapt van harde afspraken over het aantal te bouwen woningen. Ten opzichte van 2017 ligt het accent nu sterk op de oplopende woningtekorten en de betaalbaarheid van woningen voor midden inkomensgroepen. Volgens het woningbehoefte onderzoek zou tot 2025 bijna de helft van het woningbouwprogramma moeten bestaan uit betaalbare koopwoningen. De gemeente moet daarom bij nieuwbouwprojecten sturen op de te realiseren prijsklassen en het aandeel sociale huurwoningen. In de kleine kernen wordt bijvoorbeeld ingezet op specifiek maatwerk met woningbouw waarmee naar aard en omvang van de kern gericht wordt ingespeeld op de lokale woningvraag met het behouden en versterken van de groene kwaliteiten van de Liemers.

3.3.2 Woondeal 2.0 regio Arnhem - Nijmegen

Op 8 maart 2023 hebben de gemeenten in de Regio Arnhem-Nijmegen met minister Hugo de Jonge (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) en gedeputeerde van de provincie Gelderland Peter Kerris (verantwoordelijk voor wonen), de Woondeal 2.0 Regio Arnhem-Nijmegen ondertekend. In de woondeal maken de gemeenten, woningcorporaties, provincie en Rijk afspraken over woningbouw in de regio. De afspraken gaan over de hoeveelheid te bouwen woningen, waar dit gaat gebeuren en het aantal betaalbare woningen. In totaal gaat het in de regio om de bouw van 33.000 woningen in de periode tot en met 2030. Daarbij zorgt iedere gemeente vanaf 2025 dat binnen de nieuwbouw voor minimaal 30% sociale huur en minimaal 35% middenhuur en betaalbare koop wordt gerealiseerd.

Voor de gemeente Montferland geldt een woningbouwopgave van 1.490 woningen tot 2030. Om dit aantal te realiseren bestaat een harde plancapaciteit van 360 woningen. Dit betekent dat de behoefte aan het mogelijk maken van nieuwe woningen groot is en er meer dan voldoende vraag is om nieuwe harde plancapaciteit toe te voegen.

3.3.3 Toetsing regionaal beleid

Met dit initiatief wordt ingezet op het toevoegen van zeventien woningen van verschillende woningtypen. In deelgebied Meikamerlaan worden vier vrijstaande woningen gerealiseerd. Dit betreffen koopwoningen die levensloopbestendig kunnen worden uitgevoerd. Deze woningen kunnen ruimte bieden aan gezinnen en senioren. In deelgebied Smallestraat wordt deels voorzien in rijwoningen. Deze rijwoningen zullen deels worden aangemerkt als sociale huurwoning en deels als betaalbare koop dan wel middenhuur. Naar verwachting worden in dit deelgebied ook twee-aaneengebouwde en vrijstaande woningen gerealiseerd. Deze zijn wederom geschikt als eengezinswoning dan wel levensloopbestendige woning. Tevens zorgt dit type woning voor doorstroming in de markt. Bij de nadere uitwerking van het bouwplan voor dit deelgebied wordt de richtlijn van minimaal 30% sociale huur en en 35% betaalbare koop dan wel middenhuur uit de Woondeal 2.0 aangehouden.

De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de 'Liemerse Woonagenda 2020-2025' en draagt bij aan de doelstellingen uit de 'Woondeal 2.0 regio Arnhem - Nijmegen'.

De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met het regionaal beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Montferland 2009

Op 23 april 2009 is de Structuurvisie Montferland 'Ideeën voor een plek' vastgesteld. De structuurvisie geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied, met uitzondering van de bebouwde kommen. Het doel van de structuurvisie is tweeledig:

  • Het samenbrengen en actualiseren van bestaande visies en andere beleidsdocumenten in een nieuwe visie. Het gaat dus niet om het formuleren van nieuw beleid, maar om het samenbrengen in een visie van reeds bestaand beleid.
  • Het bestendigen van het gevestigde voorkeursrecht voor enkele uitbreidingslocaties; in het Regionaal Plan van de Stadsregio Arnhem/Nijmegen zijn een aantal uitbreidingsrichtingen van woonkernen opgenomen. In de structuurvisie worden deze zoekrichtingen vertaald en begrensd in concrete locaties. Daarnaast kan via de structuurvisie het gevestigde voorkeursrecht voor enkele uitbreidingslocaties worden bestendigd.


Deze structuurvisie blijft een visie op hoofdlijnen. De structuurvisie is in beeld gebracht op de kaart Structuurvisie Montferland. Op de kaart is het plangebied deels gelegen in een gebied dat is aangeduid als 'contour bebouwd gebied'. Hierbinnen is woningbouw mogelijk. Het plangebied is globaal met een rode stippellijn aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0011.jpg"

Uitsnede kaart Structuurvisie Montferland (plangebied binnen rode cirkel)

3.4.2 Beleidskader welzijnsvoorzieningen 2018 - 2023

Op 17 september 2018 heeft de raad van de gemeente Montferland het 'Beleidskader welzijnsvoorzieningen 2018 - 2023' vastgesteld. In dit beleidskader is in hoofdlijnen de verantwoordelijkheid vastgelegd van de gemeente versus die van de gemeenschap voor de instandhouding van welzijnsvoorzieningen. In de notitie wordt aangegeven langs welke lijnen de gemeente de komende jaren wil werken aan de instandhouding van een voorzieningenniveau dat aansluit bij de behoeften van de bevolking en waar de verantwoordelijkheid van de gemeente ook in meerjarig kader financieel is ingevuld. Daarnaast heeft de gemeenteraad met het oog op de uitvoering van een, nog op te stellen, voorzieningenplan een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld voor enkele kernen, waaronder Braamt. Om te voldoen aan het beleidskader en om in aanmerking te komen voor een investeringsbijdrage dient een plan te voldoen aan de volgende criteria:

  • a. Het plan voorziet in een duurzame oplossing voor het huisvesten van -in hoofdzaak- kerngebonden welzijnsactiviteiten.
  • b. De uitvoering van het plan kan rekenen op voldoende draagvlak onder de inwoners van de kern. Dit wordt onderbouwd met intentieverklaringen, af te geven door de toekomstige gebruikers van de in het plan opgenomen voorzieningen.
  • c. De financiering van het plan is mogelijk zonder gemeentegarantie of gemeentelijke borgstelling voor de betaling van rente en aflossing van door initiatiefnemers aan te trekken geldleningen.
  • d. De exploitatiebegroting van de voorzieningen die onderdeel uitmaken van het plan is realistisch. Dit zal worden getoetst door een door de gemeente aan te wijzen instantie.
  • e. Het plan is planologisch inpasbaar.
  • f. Het plan bevat geen aspecten die moeten worden geduid als strijdig met de wet of het algemeen belang. Hieronder vallen in ieder geval voorgenomen activiteiten die leiden tot oneerlijke concurrentie met andere marktpartijen.
  • g. Een horecavoorziening maakt geen zelfstandig deel uit van voorzieningen die met subsidie zijn gerealiseerd. In ieder geval worden er geen festiviteiten van persoonlijke aard gehouden.
3.4.3 Woonvisie Montferland 2016-2020

In de Woonvisie Montferland 2016-2020 legt de gemeente haar ambities, doelstellingen en maatregelen vast over het wonen in de gemeente voor de komende jaren. De gemeente hanteert daarbij de volgende visie op het wonen.

De gemeente Montferland is een groene gemeente, die haar inwoners de kans geeft binnen deze gemeente de wooncarrière te doorlopen. Bijzondere aandacht krijgen de jonge, vaak startende huishoudens en de groeiende groep ouderen. Bestaande woongebieden, woningen en vastgoed worden optimaal benut en ontbrekende woningen en woonruimten worden toegevoegd. De gemeente Montferland wil haar bewoners een prettige woon- en leefsituatie op kernenniveau blijven bieden. De gemeente heeft vooral een regierol bij het realiseren van haar doelen.

Bij deze visie behoren de volgende ambities:

  • Inwoners moeten binnen de gemeente een wooncarrière kunnen doorlopen. Dat houdt in dat de gemeente jonge en startende woningzoekenden de kans wil geven binnen de gemeente de gewenste woning te vinden, waar mogelijk op kernenniveau.
  • Huishoudensgroei neemt af en bevolking verandert van samenstelling, o.a. vergrijzing. De gemeente wil deze groeiende groep ouderen en mensen met een zorgvraag ondersteunen om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen.
  • De gemeente wil een huurwoningvoorraad die wat betreft omvang en betaalbaarheid past bij de woningvraag van de huidige en toekomstige inwoners. Daarnaast streeft de gemeente naar een meer duurzame en energiezuinige woningvoorraad.
  • Er zijn nog ruim 1.000 woningen nodig in de periode 2015-2025; met de provincie zijn afspraken gemaakt voor het realiseren van 419 woningen in de periode 2015-2019.
  • Huisvesten van vergunninghouders om bijdrage te leveren aan het actuele vraagstuk.
  • Leefbaarheid in de kernen en wijken bevorderen door woningbouw, door verbetering van bestaande woningen en de woonomgeving.
3.4.4 Groenstructuurplan

Op 27 januari 2011 is het Groenstructuurplan voor de gemeente Montferland vastgesteld. Het groen is kenmerkend voor de ruimtelijke kwaliteit en aantrekkelijkheid van het landschap, met name ook van de kernen. Velen hebben belang bij aantrekkelijke kernen die, naast mogelijkheden voor een vitale economie, rust en ruimte bieden.

Voor iedere kern is een werkboek opgesteld dat handreikingen biedt voor het ontwikkelen en begeleiden van projecten. Drie motto's staan in het Groenstructuurplan centraal:

  • 1. sluit aan bij het landschap;
  • 2. versterk de karakteristiek van de kern;
  • 3. draagvlak in projecten.

De visie benoemt op de groenstructuurkaart de volgende uitgangspunten tot het jaar 2030:

  • lanen herstellen met nieuwe linden;
  • pleksgewijs solitaire eiken en linden in historische linten;
  • laanbeplanting met allure als zuidelijke entree;
  • groene poorten bij rotondes randweg versterken;
  • parken nieuw leven inblazen;
  • brinken op knooppunten historische linten creëren;
  • iedere wijk eigen variatie op grote lijn;
  • groenstructuur in het centrum behouden en versterken;
  • twee groene corridors in hoofdgroenstructuur versterken;
  • water beleefbaar maken in de Blauwe Graaf;
  • beplanting om dorp langs randweg versterken;
  • belangrijke zichtlijnen koesteren;
  • doorzichten vanuit dorp naar landschap behouden.

Nieuw-Dijk 

Als onderdeel van het Groenstructuurplan, heeft de gemeente voor elke kern een werkboek gemaakt. Nieuw-Dijk is uniek als kleine kern op de rand van de ontginningen van de broekgebieden om de Montferlandse berg. De kern is ontstaan tussen een ontginningsas (Smallestraat) en de rand van de essen om Didam (Bosstraat). De bebouwing ligt om kleine veldjes die als gemeenschappelijke sierboomgaarden de sfeer bepalen. De rechte laan langs het bos en de rechte Smallestraat staan in contrast met de kronkelige aaneenschakeling van plekken en erven aan de Bosstraat. Eiken en hagen bepalen daar het beeld.

Voor de groenstructuur van Nieuw-Dijk is het van belang aan te sluiten bij het omliggende landschap en de bestaande karakteristiek van de kern te versterken. Navolgende kaart toont de elementen in de huidige groenstructuur die volgens het Groenstructuurplan behouden dienen te blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0012.png"

Kaart Visie op de groenstructuur in Nieuw-Dijk 2010-2030

Het plangebied is op de visiekaart aangegeven als 'behoud bossen en beheer mantel- en zoomvegetaties'. Langs de laan waar het plangebied aan ligt (Meikamerlaan) is beplanting van kastanjes en linden aanwezig. Het is de overgang naar het oorspronkelijk natte bos aan de oostkant.

De navolgende afbeelding geeft de kaart 'Te behouden waardevolle groenstructuur' weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0013.png"

Kaart te behouden waardevolle groenstructuur

Het groenstructuurplan richt zich onder andere op het behouden en versterken van de laan van de Meikamerlaan. Om nieuwe ontwikkelingen voor woningen aan te laten sluiten aan de ruimtelijke opbouw en de groenstructuur van het dorp kunnen bos, boomweide en lanen worden gebruikt.

De Meikamerlaan is zeer karakteristiek en essentieel voor de groenstructuur van het dorp. De bestaande lindes dienen behouden en goed verzorgd te worden. De laan heeft echter ook enkele 'gaten', zeker in het zuiden. Daar dienen de lindes te worden aangevuld, zo mogelijk aan beide zijden van de straat.

Ter hoogte van deelgebied Smallestraat is aangeven dat de wens bestaat om de waardevolle groene ruimtes en beplantingen te behouden. Ditzelfde geldt voor een doorzicht vanuit de Smallestraat richting het zuiden.

3.4.5 Bomenbeleid 'De kracht van Bomen'

Op 9 januari 2020 heeft de gemeenteraad van Montferland het bomenbeleid 'De kracht van Bomen' vastgesteld. Het beleid is bedoeld als ondersteuning bij het nemen van besluiten rondom bomen die de gemeente Montferland boomrijk en leefbaar houden.

Het bomenbeleid gaat in op de inventarisatie van monumentale en bijzondere bomen, het beheer van bomen, de omgang met bomen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ook wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met overlast en klachten over bomen.

Het uitgangspunt bij ruimtelijke plannen en ingrepen ten behoeve van vervanging dan wel onderhoud, is "bescherming, behoud en inpassing van het bomenbestand tenzij. Het tenzij betekent dan een zorgvuldig uitgewerkte motivatie en aanvullend onderzoek om de kap van bomen te onderbouwen".

Het is belangrijk om bij ruimtelijke plannen in een vroeg stadium te beoordelen of het mogelijk is waardevolle/of beeldbepalende bomen te behouden of in te passen. Vervolgens is ook tijdens de bestek en uitvoeringsfase de aandacht voor bomen binnen een project aan de orde.

3.4.6 Klimaatadaptatieplan Montferland 2021-2026

Omdat klimaatverandering ons allemaal raakt moet iedereen daarin zijn bijdrage leveren. Op Nationaal niveau is in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (2015) de ambitie vastgelegd om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Daarmee is een transitie ingezet, die in 2050 voltooid moet zijn.

In het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (2018) hebben gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk samen afgesproken om deze transitie te doorlopen. Het Deltaplan versnelt en intensiveert hiermee de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de beperking van gevolgen bij overstromingen.

In het Klimaatadaptatieplan Montferland staat hoe de gemeente Montferland de kwetsbaarheden in beeld heeft gebracht, hoe de risicodialogen zijn gevoerd en wat de visie, ambities, aanpak en speerpunten voor de periode 2021-2026 zijn. Door de visie, ambities en speerpunten van dit plan vast te stellen en het benodigde budget beschikbaar te stellen kan de gemeente Montferland werk maken van klimaatadaptatie.

In het Klimaatadaptatieplan Montferland staan vijf pijlers ('adaptief landelijk gebied', 'woonkernen gezond en groen', 'robuuste vitale infra en objecten', 'ontwikkelen klimaatbestendig' en 'betrokken actieve mensen') gedefinieerd waar de gemeentelijke visie op steunt. Per pijler zijn ambities/doelen gedefinieerd voor de komende 30 jaar. Er zijn leidende principes vastgesteld en dialogen gevoerd met inwoners, wijk- en dorpsraden, ondernemers en organisaties. Dat alles heeft geleid tot drie speerpunten voor de periode van 2021-2026):

  • 1. Klimaatadaptatie vanzelfsprekend maken in de organisatie van gemeente Montferland;
  • 2. Elke kans buiten benutten;
  • 3. Stimuleren van klimaatbestendig gedrag bij inwoners, ondernemers en organisaties.

Bovenstaande gekozen speerpunten hebben met elkaar gemeen dat ze: het vaakst genoemd zijn in de gevoerde dialogen, uitvoerbaar zijn in de komende jaren, voor de komende jaren het grootste effect zullen bewerkstelligen en dat ze de basis vormen om in de volgende periode verder door te pakken.

3.4.7 Biodiversiteitsplan gemeente Montferland

De gemeente Montferland heeft in december 2021 het Biodiversiteitsplan 'Ruimte voor biodiversiteit' opgesteld. De gemeenteraad van Montferland erkent het belang van een goede biodiversiteit en wil de biodiversiteit in de gemeente versterken. Zij heeft daarom in de vergadering van 27 september 2018 een motie aangenomen om (1) aan te geven welke maatregelen nu al door de gemeente worden genomen om biodiversiteit te bevorderen en (2) om een integrale visie en uitvoeringsagenda ter bevordering van biodiversiteit op te stellen. Het biodiversiteitsplan geeft invulling aan beide onderdelen.

De gemeente kiest voor een brede aanpak van adviezen bij ruimtelijke ordening projecten tot concrete uitvoeringsprojecten. Het behouden en versterken van de biodiversiteit past ook bij de uitgangspunten van de (aankomende) nieuwe Omgevingswet, namelijk het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

De centrale gedachte als het gaat om verbeteren van de biodiversiteit is dat het niet gaat om het behoud van soorten in natuurgebieden alleen. Om de biodiversiteit te verbeteren is het volgende nodig:

  • 1. Biodiversiteit ontwikkelen binnen de huidig beschikbare ruimte én;
  • 2. Het verbinden van gebieden met goede biodiversiteit én;
  • 3. Onderhoud en beheer richten op behoud en verbinding van de leefgebieden.

Voor de verbetering van de biodiversiteit kiest de gemeente voor een gebiedsgerichte benadering. Elk gebiedstype heeft te maken met verschillende knelpunten die zorgen voor een vermindering van de biodiversiteit. De gemeente hanteert daarbij een indeling in vier gebiedstypen:

  • Agrarisch buitengebied
  • Kernen
  • Bedrijventerreinen
  • Natuurgebieden

Op verschillende niveaus en in verschillende gebieden vinden handelingen plaats die van (negatieve) invloed zijn op de biodiversiteit. Om richting te kunnen geven aan een uitwerking gebruikt de gemeente drie sporen:

  • Ruimtelijke ontwikkelingen;
  • Onderhoud en beheer;
  • Bewustwording.

Per spoor kan worden bepaald op welke wijze invulling wordt gegeven aan het behalen van de randvoorwaarden van herstel van biodiversiteit en wat daarin de opgave is. Per gebiedstype (in totaal vier) worden voor de drie sporen keuzes gemaakt in opgaves en de wijze van invulling. Deze vormen de basis voor de keuzes van maatregelen die uiteindelijk getroffen moeten gaan worden. Het onderscheid dat voor het gemeentelijke biodiversiteitsplan globaal wordt gemaakt is weergegeven in onderstaande tabel. In deze tabel is te zien welke sporen voor de verschillende gebiedstypen het belangrijkste zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0014.png"

Inzet maatregelen per gebiedstype en per spoor

Kernen
Voor het plangebied is het gebiedstype 'Kernen' van toepassing. In de kernen is het leefgebied van soorten vaak sterk versnipperd. Het openbaar groen is voor veel soorten van onvoldoende kwaliteit omdat er geen dekking in de vorm van struiklagen is of omdat verbindingen zijn doorbroken door wegen en gebouwen. Door het toepassen van planten die van oorsprong niet in Nederland voorkomen is er weinig voedsel voor insecten te vinden. De particuliere tuinen zijn veelal intensief onderhouden (zoals maaien met robotmaaiers) óf geheel onderhoudsvrij en verhard met tegels en grind. Rommelige hoekjes en tuinen vol bloemen, bomen en struiken komen steeds minder voor. Hierdoor ontbreekt het voor veel soorten aan veiligheid, voedsel of voortplantingsmogelijkheden. Daarnaast worden woningen door energiemaatregelen voor soorten zoals huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis ongeschikt als verblijfplaats. Spouwmuren waar vleermuizen overdag verblijven worden opgevuld met isolatie materiaal (soms met dodelijke afloop voor de vleermuizen). Kleine openingen achter dakgoten en ruimtes onder de pannen worden steeds meer ontoegankelijk als nestelplek voor vogels.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt natuurinclusief ontwerpen de norm. Deze landelijke ambitie wordt door de gemeente toegepast bij nieuwe initiatieven zoals nieuwbouw en herontwikkeling. Vooralsnog wordt een vrijwillige bijdrage gevraagd per initiatief. Door middel van voorlichting worden initiatiefnemers op de hoogte gebracht van de mogelijkheden van natuurinclusief ontwerpen. Bij gemeentelijke initiatieven wordt van opdrachtnemers een natuurinclusief ontwerp verplicht gesteld.

3.4.8 Toetsing gemeentelijk beleid

Met het plan is sprake van het bundelen van diverse dorpsgerelateerde functies in één nieuwe toekomstbestendige MFA. Daarnaast worden in totaal zeventien nieuwe woningen in verschillen woningtypes mogelijk gemaakt. Het initiatief vindt plaats binnen en aansluitend aan de bestaande bebouwingsstructuur van Nieuw-Dijk. Op basis hiervan kan worden gesteld dat onderhavige ontwikkeling past binnen de Structuurvisie van de gemeente Montferland.

In en in de buitenruimte rondom de nieuwe MFA worden vrijwel alle sport- en welzijnsverenigingen in Nieuw-Dijk gehuisvest. De nieuwe MFA en het initiatief tot woningbouw is in samenspraak met vertegenwoordigers uit het dorp en het plaatselijke verenigingsleven tot stand gekomen. Daarbij heeft meerdere malen participatie met de bewoners van Nieuw-Dijk plaatsgevonden (zie tevens paragraaf 4.12.3). Voor de bouw van de MFA is een investeringsbegroting opgesteld. De realisatie van de MFA wordt deels gedekt met de opbrengst van de verkoop van de woonkavels De investeringsbegroting is zowel door de gemeente als door de provincie Gelderland getoetst en worden als realistisch geduid. De horeca-activiteiten in de MFA hebben een ondergeschikt karakter en staan volledig ten dienste van de welzijnsactiviteiten in het gebouw. Het initiatief voldoet de uitgangspunten van het Beleidskader welzijnsvoorzieningen 2018-2023.

Naast de realisatie van de MFA worden woningen gerealiseerd in verschillende woningtypen. De woningen zullen deels geschikt zijn als starters- en/of senioren woningen. De overige woningen zijn geschikt voor doorstromers. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan het doorlopen van een wooncarriere op lokaal niveau. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de actuele woningbehoefte in de gemeente Montferland in het algemeen en Nieuw-Dijk in het bijzonder. Het initiatief is in overeenstemming met de kaders van de Woonvisie Montferland 2016-2020.

In de huidige situatie zijn in het plangebied meerdere bomen aanwezig. Het uitgangspunt voor het initiatief is om de bestaande boom- en groenstructuren zoveel mogelijk te respecteren. Om te bepalen of de bomen bij de uitvoering van het initiatief duurzaam behouden kunnen blijven is door Foreest Groen Consult in februari 2022 een bomeneffectanalyse uitgevoerd. Deze bomeneffectanalyse is als Bijlage 1 opgenomen.

De uitkomsten van de bomeneffectanalyse worden gebruikt bij de stedenbouwkundige invulling van beide deelgebieden (zie tevens paragraaf 2.3). In deelgebied Meikamerlaan zijn de beoogde woningen op afstand van de boomkronen van de omliggende bomen geplaatst, waardoor deze bomen in principe duurzaam behouden zouden kunnen blijven. Op basis van de bomeneffectanalyse is in dit deelgebied tevens bepaald waar de enige gezamenlijke ontsluitingsweg/uitrit van de woningen aan de Meikamerlaan wordt geplaatst. Daarbij wordt rekening gehouden met de afstand tot boomstammen. De bomen langs de historische Meikamerlaan blijven in het plan duurzaam behouden Door de ondergroei bij deze bomenrij op te schonen wordt de structuur van de historische laan versterkt. Voor deelgebied Smallestraat is de precieze stedenbouwkundige invulling nog niet bekend. Een deel van de bomen zullen niet duurzaam behouden kunnen blijven omdat er anders onvoldoende ruimte is voor de bouw van de woningen. Deze te kappen bomen zullen gecompenseerd worden. Door deelgebied Smallestraat een nieuwe invulling te geven vermindert het doorzicht vanaf de Smallestraat richting het zuiden. Wel biedt de herontwikkeling van het terrein de mogelijkheid om de bestaande groenstructuren ter plaatste te verbeteren en kan verkend worden of er een doorzicht vanaf de nieuw ontsluitingsweg richting het zuiden kan worden gecreëerd. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van het Groenstructuurplan en het Bomenbeleid.

Voor het plangebied worden meerdere maatregelen met betrekking tot klimaatadaptatie toegepast. Het plangebied zal klimaatrobuust worden ingericht. Naast de ontwikkeling van het onderhavige plangebied zullen ook de voetbalvelden klimaatadaptief ingericht worden. Zie hiervoor tevens paragraaf 4.8.2.

Naast het behoud van zoveel mogelijk bomen, wordt bij de verdere uitwerking van de nieuwe MFA, maar ook de woningen een natuurinclusief ontwerp nagestreefd. Het initiatief draagt daarmee bij aan een verbetering van de lokale biodiversiteit en de uitgangspunten van het biodiversiteitsplan.

Samengevat wordt op basis van het voorgaande geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.1.1 Algemeen

Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.).

In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat in bijlage C er direct sprake is van een m.e.r.-plicht voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden en besluiten onder de drempelwaarden zijn niet m.e.r.-plichtig. Onderdeel D geeft aan of er voor besluiten beoordeeld moet worden of er m.e.r. noodzakelijk is. Voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is duidelijk of er een M.E.R. moet worden opgesteld.

4.1.2 Toetsing

Voor de ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als Bijlage 3 bijgevoegd. Op grond van de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten.

4.1.3 Conclusie

Het bestemmingsplan kan zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.

4.2 Bodem

4.2.1 Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet aangetoond worden dat de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

4.2.2 Toetsing

Door Buro Ontwerp & Omgeving is in februari 2023 een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van beide deelgebieden uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 4 bijgevoegd. De conclusies uit het onderzoek worden hierna kort behandeld.

Op een deel van deelgebied Meikamerlaan is in 2015 eerder bodemonderzoek uitgevoerd, op dit deel is enkel de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond bepaald. Het terrein van deelgebied Smallestraat is reeds geruime tijd in gebruik door een schutterij, hierdoor is dit terreindeel meer verdacht voor een verontreiniging van de bovengrond.

In enkele boringen is een bijmenging met sporen baksteen aangetroffen. Op indicatieve wijze zijn zowel op het maaiveld als in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen.

Deelgebied Smallestraat

In dit deelgebied, deels in gebruik door de schutterij, zijn plaatselijk gehaltes lood en zink boven de achtergrondwaarde aangetoond, in zowel de bovengrond als de ondergrond.

In de bovengrond is plaatselijk een bijmenging met sporen baksteen aangetroffen. In deze bodemlaag ligt het aangetoonde gehalte lood boven de achtergrondwaarde, in de zintuiglijk schone bovengrond zijn geen gehaltes boven de achtergrondwaarde aangetoond. In de ondergrond is kobalt in een gehalte boven de achtergrondwaarde aangetoond. In het grondwater ligt de gemeten concentratie barium boven de streefwaarde.

Deelgebied Meikamerlaan

Ter plaatse van het reeds onderzochte deel van deelgebied Meikamerlaan (westelijk deel trainingsveld) liggen de aangetoonde gehaltes in de bovengrond onder de achtergrondwaarde. Tijdens het eerder uitgevoerde onderzoek zijn in de ondergrond geen gehaltes boven de achtergrondwaarde aangetoond, in het grondwater is destijds een concentratie barium boven de streefwaarde gemeten.

In de bovengrond van het overige deel van dit deelgebied is plaatselijk een gehalte PCB boven de achtergrondwaarde aangetoond. Plaatselijks ligt in de ondergrond het aangetoonde gehalte kobalt boven de achtergrondwaarde.

In het grondwater op dit deel zijn geen verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarde gemeten.

4.2.3 Conclusie

De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt op basis van het onderzoek geen belemmering voor de herziening van het bestemmingsplan en de beoogde nieuwbouw van woningen en MFA ter plaatse van het plangebied.

Het aspect bodem biedt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.3 Geluid

4.3.1 Algemeen

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.

4.3.2 Toetsing

De nieuwe woningen in het plangebied zijn geluidsgevoelige objecten. Om die reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in juni 2023 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 5 bijgevoegd.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich alleen wegen. Spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen zijn nabij de locatie niet aanwezig. Het akoestisch onderzoek richt zich op de geluidhinder afkomstig van de A18, de Smallestraat en de Meikamerlaan.

A18

De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de A18 bedraagt 53 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB wordt echter voldaan.

Smallestraat

De Smallestraat heeft op basis van de Wgh geen onderzoekszone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime.

De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Smallestraat bedraagt 48 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh.

Meikamerlaan

De Meikamerlaan heeft op basis van de Wgh eveneens geen onderzoekszone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime.

De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Meikamerlaan bedraagt 42 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh.

Verlening hogere grenswaarden

Het doel van de Wgh is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de A18, het vergroten van de afstand tussen de woningen en de weg of het toepassen van dove gevels. Gezien de beperkte schaal van dit plan (realisatie van 17 woningen) is het niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Op basis van de Wgh kan de gemeente Montferland een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelasting afkomstig van de A18. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure.

Cumulatieve geluidsbelastingen

De nieuwe woningen liggen nabij diverse wegen. De optellingen van de geluidsbelastingen van de verschillende geluidbronnen resulteert in de cumulatieve geluidsbelasting. Bij de berekening van de cumulatieve geluidsbronnen zijn alle relevante geluidsbronnen (A18, Smallestraat en Meikamerlaan) gebruikt bij de berekening van de cumulatieve geluidsbelastingen.

De cumulatieve geluidsbelasting is van belang voor de berekening van de vereiste gevelisolatie. Volgens het Bouwbesluit 2012 moet een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij wegverkeerslawaai worden gegarandeerd.

De hoogste cumulatieve geluidsbelastingen (LCUM) en de minimaal benodigde gevelwering per gevel zijn weergegeven in de navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0015.jpg"

Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek moet worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012 te halen.

4.3.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Algemeen

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10  wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

4.4.2 Toetsing

In het plangebied bestaat het voornemen om maximaal zeventien woningen te realiseren. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Met de realisatie van de MFA is feitelijk sprake van een verplaatsing van bestaande activiteiten binnen het plangebied. Daarmee zal het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze functie niet significant wijzigen.

In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

Op basis van het voorgaande is een toetsing aan de grenswaarden niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK)1 uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2021 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2021 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

4.4.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 

4.5 Externe veiligheid

4.5.1 Wettelijk kader

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Circulaire effectafstanden LPG-tankstations

In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

4.5.2 Toetsing

Ten behoeve van de toetsing is de risicokaart Nederland geraadpleegd, waarvan een fragment in onderstaande afbeelding is weergegeven. Onderhavig initiatief heeft betrekking op de realisatie van maximaal zeventien nieuwe woningen en een MFA binnen bestaand stedelijk gebied. Met de ontwikkeling is sprake van nieuwe kwetsbare objecten. Het plangebied is blauw omcirkeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0016.jpg"

Uitsnede Risicokaart Nederland (plangebied in blauwe cirkel)

Stationaire bronnen

Volgens de Risicokaart zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen stationaire bronnen aanwezig.

Mobiele bronnen

Ten zuidoosten van het plangebied ligt de rijksweg A18. De rijksweg A18 is een doorgaande transportroute voor gevaarlijke stoffen die hiervoor is aangewezen in de Regeling Basisnet. Conform bijlage 1 van deze Regeling heeft de rijksweg geen 10-6 contour of een plasbrandaandachtsgebied en bedraagt het invloedsgebied 730 m. Het plangebied ligt op circa 250 m van de A18 en ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de rijksweg, maar buiten de toetsafstand van 200 m (op basis van artikel 8 van het Bevt). Om die reden hoeft het groepsrisico niet kwantitatief inzichtelijk te worden gemaakt. Wel geldt er een (beperkte) verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Ten zuidwesten van het plangebied ligt op circa 2.000 m de A12. Verder ten zuidwesten van het plangebied, op circa 3.350 m ligt de Betuweroute. Over deze spoorlijn worden eveneens gevaarlijke stoffen vervoerd. Beide transportroutes hebben een invloedsgebied van 4.000 m. Om die reden geldt voor deze (spoor)wegen eveneens een (beperkte verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico

Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van enkele mobiele bronnen worden navolgend ingegaan op de maatgevende scenario's.

Een warme BLEVE kan worden veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de LPG-tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een warme BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken.

Door een ongeval op het spoor kan bij een ketelwagen gevuld met een toxisch gas of toxisch vloeistof de aansluiting van de afsluiter afbreken. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische gas of vloeistof vrijkomt. Alle vrijgekomen toxische stof verdampt direct en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. De toxische wolk kan bij lage concentraties worden geroken. Hogere concentraties veroorzaken vergiftiging. Hierdoor kunnen personen in de omgeving slachtoffer worden. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving en de weersomstandigheden.

Op basis van voorgaande scenario's adviseert de VNOG om:

  • 1. De zelfredzaamheid van de aanwezige personen zo groot mogelijk te laten zijn, door gebruik te maken van NL-alert.
  • 2. De gebouwen dusdanig te situeren dat aanwezigen bij een (dreigende) brand bij een risicobron gelegenheid hebben te vluchten. Hierbij dient minimaal één (nood)uitgang van de risicobron af gericht te zijn. Alle (nood)uitgangen dienen aan te sluiten op de infrastructuur binnen en buiten het plangebied.
  • 3. De benodigde ontsluitingswegen en/of bluswatervoorzieningen in overleg met Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland te realiseren. Hierbij wordt vooral gekeken naar de voorzieningen binnen het plangebied, maar waar nodig ook bij de risicobron.
  • 4. Zorg te dragen dat het ventilatiesysteem goed functioneert. Om te kunnen schuilen voor een toxisch scenario, is het noodzakelijk dat bewoners in zo'n situatie naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie handmatig door de gebruikers kan worden uitgezet. Deze maatregel kunt u borgen in de vergunningverleningsprocedures van diverse objecten.
  • 5. Zorg te dragen voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, opdat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. U kunt hierbij denken aan publieke voorlichtingscampagnes als 'Denk vooruit'/ 'Wees Voorbereid'.
  • 6. Na te gaan of 730 meter het correcte maximale invloedsgebied is voor de risicobron A18.
  • 7. Creëer voor ambulances een goede bereikbaarheid door voldoende toe- en uitgangswegen te realiseren. Voor ambulances is het namelijk niet alleen van belang om zo snel mogelijk bij de gebouwen te kunnen komen, maar ook om zo snel mogelijk weer weg te kunnen rijden zonder hinder te ondervinden van andere (hulpverlenings-)voertuigen.
  • 8. Ambulances dienen dicht bij de gebouwen geparkeerd te kunnen worden. Obstakels op de weg en het terrein dienen dus zodanig te worden ingericht dat ambulances snel en goed bij de gebouwen kunnen komen. Het beperken van trappen, paaltjes, drempels, grote bloembakken, e.d. draagt bij aan een goede bereikbaarheid van de gebouwen voor ambulances en brancards.
  • 9. Zorg voor een eenduidige, duidelijke bewegwijzering, waarbij borden en nummers zodanig zijn geplaatst, dat bij een calamiteit in/bij de gebouwen duidelijk is waar de hulpverleners naar toe moeten.
  • 10. Om de gebouwen voor brancards goed begaanbaar te houden, is het van belang om met name de ingang begaanbaar te houden. Grind voor de ingang en het gebruik van grote rubberen ringmatten vormen voor ambulancepersoneel en het slachtoffer op de brancard namelijk een obstakel. Een schoonloopmat is een goed alternatief om binnen bij de ingang te plaatsen.
  • 11. Breng het project 'STAN' (Stan is de dóórontwikkeling van HartveiligWonen) bij de bewoners onder de aandacht, dit i.v.m. de aanrijtijden van ambulances. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan dit project kan levens redden.
  • 12. Plaats een AED op een strategische locatie. In geval van een circulatiestilstand wordt, door z.s.m. te defibrilleren, de overlevingskans van de betreffende persoon vergroot. Als deze AED aan een buitenmuur wordt bevestigd en beschikbaar wordt gesteld voor algemeen gebruik, kan deze AED ook gebruikt worden bij nood in de omgeving van naam bedrijf in naam plaats.
  • 13. Plaats een Stop de bloeding-set naast de AED. Dit is een pakketje met extra hulpmiddelen om bloedingen te stoppen. Omstanders en niet-medische hulpverleners kunnen de overlevingskansen van slachtoffers van (bom) aanslagen en grote ongelukken aanzienlijk verhogen. Door ernstig bloedverlies meteen adequaat te stelpen, worden levens gered. Dat geldt natuurlijk ook voor meer alledaagse verwondingen waarbij levensbedreigend bloedverlies optreedt, bijvoorbeeld bij ongevallen met machines, een val door een glazen deur of ernstige open botbreuken.
  • 14. Indien de toekomstige bewoners minder zelfredzaam zijn (bijvoorbeeld ouderen of kinderen), is het van belang dat de vergunningverlener bij de burger aandacht besteedt aan de risico's, die wonen in de buurt van een transportroute voor gevaarlijke stoffen (12, A18 en de Betuweroute), met zich meebrengen. Daarnaast is het van belang dat de vergunningverlener aandacht besteedt aan de acties die een bewoner zelf kan ondernemen om zelfredzamer te worden.
4.5.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

4.6.1 Algemeen

Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies.

Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies.

4.6.2 Toetsing

Binnen het plangebied wordt een nieuw MFA gerealiseerd. Grenzend aan het plangebied liggen de sportvelden van Voetbalvereniging Sprinkhanen. Daarnaast ligt op korte afstand de snelweg A18. Om deze redenen liggen de woningen in een 'gemengd gebied'.

Mogelijke hinder op gevoelige functies binnen het plangebied

Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' kunnen de hinderveroorzakende functies in en om het plangebied als volgt worden gecategoriseerd:

Functie   Adres   Categorie o.b.v. VNG brochure  
Voetbalvereniging Sprinkhanen   Smallestraat 49   Veldsportcomplex (met verlichting)  
MFA   Smallestraat 49   Sporthallen  
Elti Stienissen B.V.   Smallestraat 40   Elektrotechnische industrie n.e.g.  

De VNG-brochure geeft de volgende minimaal aanbevolen richtafstanden aan voor deze functies op basis van een 'rustige woonwijk':

Functie   Geur   Stof   Geluid   Gevaar   Grootste afstand   Werkelijke afstand  
Veldsportcomplex (met verlichting)   0   0   50   0   50   0  
Sporthallen   0   0   50   0   50   0  
Elektrotechnische industrie n.e.g.   30   10   30   10   30   13  

Voetbalvereniging en MFA

Geluidshinder

Binnen het plangebied wordt een MFA gerealiseerd. Deze zorgt mogelijk voor hinder op de toekomstige gevoelige functies in het plangebied (woningen). Naast de MFA is ook het hinder afkomstig van de sportvelden van belang.

Door Buro Ontwerp & Omgeving is in september 2023 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke hinder van de MFA en de sportvelden. Het onderzoek is als Bijlage 6 bijgevoegd.

Langtijdgemiddelde geluidsbelasting2

Bij de nieuwe woningen in deelgebied Meikamerlaan bedraagt de langtijdgemiddelde geluidsbelasting maximaal 50 dB(A). Bij de nieuwe woningen in deelgebied Smallestraat bedraagt deze maximaal 43 dB(A). Bij de nieuwe woningen wordt er voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarde (stap 2) uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009'.

Maximale geluidsbelasting

Bij de nieuwe woningen in deelgebied Meikamerlaan bedraagt de maximale geluidsbelasting maximaal 67 dB(A) in de dagperiode en 63 dB(A) in de avondperiode. Bij de nieuwe woningen in deelgebied Smallestraat bedrag en deze geluidsbelastingen maximaal respectievelijk 65 dB(A) en 55 dB(A). Hiermee worden de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' (70 dB(A) en 65 dB(A) niet overschreden.

Lichthinder

Naast het aspect geluid, is het aspect lichthinder bij sportvelden ook van belang. Lichthinder treedt op bij inschijnend licht. Vanwege de korte afstand tussen de sportvelden en de beoogde woningen is voor de ruimtelijke afweging een onderzoek nodig voor het aspect lichthinder.

In augustus 2023 is door DGMR een lichthinderonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 7 bijgevoegd.

De optredende verticale verlichtingssterkte en lichtsterkte zijn per armatuur bepaald. De optredende waarden zijn getoetst aan de normen uit de Richtlijn lichthinder van de NSVV (2020). De verticale verlichtingssterkte bij de nieuwe woningen bedraagt ten hoogste 2,4 lux. Dit voldoet aan de grenswaarde van 10 lux. De lichtsterkte per armatuur is ten hoogste 9.363 cd. Dit voldoet aan de grenswaarde van 10.000 cd. Uit het onderzoek blijkt dat de huidige verlichtingsinstallatie voldoet aan deze normen. Geconstateerd wordt dat bij de nieuwe woningen voor het aspect licht sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Elti Stienissen B.V.

Voor dit bedrijf geldt een richtafstand van 30 m bij een rustige woonwijk. De werkelijke afstand bedraagt 13 m. Omdat sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met 1 stap worden teruggebracht tot 10 m. Daarmee is de afstand tussen het bedrijf en de toekomstige woningen voldoende groot.

Mogelijke hinder op gevoelige functies buiten het plangebied

Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder veroorzaken op gevoelige functies (woningen) in de omgeving van het plangebied.

In het plangebied wordt een MFA gerealiseerd. Een MFA kan mogelijk voor hinder zorgen op de omliggende woningen. Om die reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in november 2023 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 8 bijgevoegd.

Bij de omliggende bestaande woningen voldoen de langtijdgemiddelde en maximale geluidsbelastingen afkomstig van de MFA aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarde (stap 2) uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009'. De geluidsbelastingen bij de omliggende bestaande woningen is dan ook acceptabel. Vanuit een akoestisch oogpunt is de MFA dan ook realiseerbaar.

4.6.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.7 Geur

4.7.1 Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

4.7.2 Toetsing

De nieuwe woningen en de MFA zijn geurgevoelige objecten. Nabij de nieuwe woningen en MFA zijn veehouderijen aanwezig. Om die reden is in juni 2023 een geuronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 9 bijgevoegd.

In de omliggende veehouderijen worden dieren zonder een vastgestelde geuremissie en dieren met een vastgestelde geuremissie gehouden. Daarvoor gelden respectievelijk geurafstanden en geurnormen. In het kader van het geuronderzoek is het dan noodzakelijk om te toetsen aan de geurafstanden en aan de geurnormen.

Afstandsnormen

In de navolgende tabel staan de twee veehouderijen op de kortste afstand van het plangebied, met de diersoorten, de toetsen geurafstand en de afstand van de nieuwe woningen en MFA tot de veehouderij weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0017.jpg"

Uit het voorgaande blijkt dat de nieuwe woningen en MFA niet worden gerealiseerd binnen de geurafstanden van 50 en 100 meter van de omliggende veehouderijen. De nieuwe woningen en MFA voldoen dan ook aan de afstandsnormen uit de Wgv.

Geurnormen

In de Wgv worden alleen normen genoemd voor de individuele veehouderijen. De geurnorm op basis van een individuele geurbelasting wordt de voorgrondbelasting genoemd. De geurnorm afkomstig van alle veehouderijen te samen wordt de achtergrondbelasting genoemd. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Wgv geen normen opgenomen. De achtergrondbelasting kan dan ook alleen maar worden beoordeeld op basis van kwaliteit van het leefmilieu.

Van alle veehouderijen in een straal van 3 km rondom de nieuwe woningen en MFA zijn de geuremissies geïnventariseerd.

Achtergrondbelasting

Uit het onderzoek blijkt dat de achtergrondbelasting bij de nieuwe woningen en MFA maximaal 3,2 ouE/m3 bedraagt. Dit komt overeen met een goede milieukwaliteit.

Voorgrondbelasting

De veehouderijen aan de Bosstraat 15, Korenweg 5a en Meisterholt 1 hebben het grootste aandeel in de achtergrondbelasting. Voor deze veehouderijen zijn de optredende voorgrondbelastingen op de nieuwe woningen en MFA bepaald. Uit de berekening naar de voorgrondbelasting blijkt dat de voorgrondbelasting bij de nieuwe woningen en MFA maximaal 1,8 ouE/m3 bedraagt. De milieukwaliteit is, op basis van de optredende voorgrondbelasting, goed. De norm van 3,0 ouE/m3 uit de Wgv wordt niet overschreden bij de nieuwe woningen en de MFA.

Op basis van de Wgv kan worden gesteld dat bij de nieuwe geurgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd.

Rechten van bestaande veehouderijen

Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. In de directe nabijheid van het plangebied liggen diverse veehouderijen. De realisering van onderhavig plan heeft geen gevolgen voor de huidige bedrijfsvoering van deze bedrijven.

De geuremissie van de omliggende veehouderijen kan ten opzichte van de huidige situatie nog meer dan verdubbelen, voordat de voorgrondbelasting bij de nieuwe woningen en MFA hoger is dan de norm van 3,0 ouE/m3 .

Door de realisering het initiatief worden de omliggende veehouderijen vanuit praktisch oogpunt niet in hun uitbreidingsmogelijkheden beperkt. In zoverre staat de aanwezigheid van de veehouderijen de voorgenomen wijziging van het planologisch regime niet in de weg.

Overige hinder afkomstig van veehouderijen

De veehouderijen kunnen niet alleen hinder veroorzaken op het gebied van geur, maar ook hinder in de vorm van stof, geluid en gevaar. In de VNG-publicatie ' Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' worden voor deze vormen van hinder richtafstanden genoemd (zie tevens paragraaf 4.6. Uit deze publicatie blijkt dat de grootste richtafstand ten gevolge van een (pluim)veehouderij voor stof (50 meter), geluid (50 meter) en gevaar (10 meter) bedraagt. Deze afstand is de richtafstand tot een 'rustige woonwijk' of een vergelijkbaar omgevingstype zoals 'rustig buitengebied' (eventueel inclusief verblijfsrecreatie). De woningen en MFA zijn echter niet geprojecteerd binnen de genoemde richtafstanden.

4.7.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.8 Water

4.8.1 Beleid

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel.

In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda.

Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's.

Klimaatrobuust gebied

De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied

De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

Circulaire Economie en Energietransitie

Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.

Gezonde leefomgeving

Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

4.8.2 Situatie plangebied

Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juni 2023 een waterhuishoudkundige analyse uitgevoerd. Deze waterhuishoudkundige analyse is als Bijlage 10 bijgevoegd. Voor de waterhuishoudkundige analyse zijn niet alleen de gronden in het plangebied beschouwd, maar ook de gronden grenzend aan het plangebied die tevens worden heringericht in het kader van voorliggende ontwikkeling.

Huidige situatie

Deelgebied Meikamerlaan, ten noorden van de Smallestraat, is thans gebruik als trainingsveld, kantine en kleedruimte. Rondom deze kantine en kleedruimte is verharding aanwezig (betonklinkers), het overige deel is onverhard. Op de grens met de Meikamerlaan is een strook met bomen en struiken aanwezig.


Deelgebied Smallestraat betreft de locatie ten zuiden van de Smallestraat, waar thans dorpshuis 'de Meikever' is gesitueerd. Dit is het gebouw ten behoeve van het verenigingsleven, alsmede een sporthal. Aan de voorzijde van het gebouw is verharding aanwezig (tegels), het overige deel van dit terrein is onverhard. Ten oosten en ten zuiden zijn bomen en struiken aanwezig.


In navolgende tabel is een overzicht van de verharde en onverharde oppervlaktes van het gehele plangebied in de huidige situatie opgenomen. Opgemerkt wordt dat de oppervlaktes aan de hand van (lucht)foto's zijn bepaald en derhalve kunnen afwijken van de werkelijke oppervlaktes.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0018.jpg"

Toekomstige situatie

De herontwikkeling voorziet in de bouw van diverse woningen en de realisatie van een MFA. Een deel van de woningen (vier vrijstaande) en de MFA zullen worden gesitueerd op het huidige trainingsveld. De strook met bomen en struiken langs de Meikamerlaan zal behouden blijven. Tussen de woningen aan de Meikamerlaan en de MFA zal een groene buffer aangelegd worden. Het terrein ten oosten en ten zuiden van het trainingsveld (ter plaatse van de huidige kantine) zal worden ingericht als parkeerplaats.

Op het terrein ten zuiden van de Smallestraat zullen maximaal 13 woningen gerealiseerd worden. Op dit terreindeel zal ook ontsluiting gerealiseerd worden naar de toekomstige uitbreiding van Nieuw-Dijk, ten zuidwesten van het plangebied.

Het (definitieve) ontwerp is nog niet bekend, wel is de toekomstige bestemming bepaald (zie hiervoor de verbeelding). Voor het bepalen van de verharding in de toekomstige situatie is uitgegaan van percentages die verhard zullen worden. Hierbij is uitgegaan van het 'worst case scenario', het daadwerkelijke verhard oppervlak zal waarschijnlijk minder zijn.

Op basis van deze aannames zal het verharde oppervlak in de toekomstige situatie circa 10.445 m2 betreft, zie navolgende tabel. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het verhard oppervlak met circa 6.380 m2 toe.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0019.jpg"

Waterhuishoudkundige consequenties en uitgangspunten

Uitgangspunten

In navolgende tabel worden de uitgangspunten die van toepassing zijn op de waterhuishouding in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0020.jpg"

Weg- en vloerpeilen

In het stedelijk gebied is het waterbeheer vooral gericht op het voorkomen van wateroverlast, omdat hoge grondwaterstanden natte kruipruimten en vochtproblemen in huis kunnen opleveren.Aangezien in principe alleen waterberging kan plaatsvinden boven de GHG, is de GHG het uitgangspunt voor een goed werkend watersysteem. Hiernaast is het van belang om geen wateroverlast bij de gebouwen en wegen te krijgen en dienen de door de gemeente geadviseerde minimale ontwateringsdiepten in acht te worden genomen. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente de eis dat het vloerpeil (drempelpeil) minimaal 0,20 m boven de as van de weg wordt aangelegd. Hiermee wordt voorkomen dat water de woning binnenstroomt als er bij heftige buien water-op-straat staat.

In het plangebied is de GHG ingeschat op circa 12,6 m +NAP. Op basis van de vastgestelde maaiveldhoogte van 13,8 m +NAP ter plaatse van de voetbalvelden en rondom de sporthal wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Echter, is de vastgestelde maaiveldhoogte op het terrein ten zuiden van de sporthal (13,2 tot 13,5 m +NAP) maar net onvoldoende om te voldoen aan de ontwateringseisen. Bij de ontwikkeling van dit deel van het plangebied zal mogelijk ophoging plaats moeten vinden.

Benodigde waterberging

Op basis van de voorgenomen ontwikkeling zal er in totaal circa 10.450 m2 verhard oppervlak gerealiseerd worden. Ten opzichte van de huidige situatie bedraagt de toename van verharding circa 6.380 m2. Voor deze toename is een bergingseis van 80 mm van het waterschap van toepassing. Voor de overige verharding is de bergingseis van het waterschap 20 mm. De gemeente Montferland heeft echter een bergingseis van 40 mm. Hiervoor wordt dan ook de bergingseis va 40 mm aangehouden. Hiermee komt de totale waterbergingsopgave op 673 m3, zie navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0021.jpg"

Mogelijke oplossingen om de benodigde berging te realiseren of te verminderen zijn:

  • 1. Het toepassen van groene daken;
  • 2. Realiseren van een wadi of verlaging van het maaiveld;
  • 3. Het toepassen van waterpasserende verharding (bv grasbetonstenen) ter plaatse van parkeerplaatsen;
  • 4. Berging van hemelwater onder parkeerplaatsen;
  • 5. Het toepassen van ondergrondse berging in bijvoorbeeld infiltratiekratten.

Ad 1.

Groene daken tellen niet mee in het verharde oppervlakte. Deze technieken hebben ook nevenvoordelen, zoals het verminderen van hittestress en fijnstof. Groene daken verminderen de behoefte aan koeling van gebouwen in de zomer. Naast waterberging is het dak geluidsisolerend, verkoelend en brandwerend. Tevens zorgen groene daken voor opname van CO2 en toename van de biodiversiteit. Op de MFA zou een groen dak gerealiseerd kunnen worden. Indien er zonnepanelen op het dak aangebracht worden, kan er waterberging plaatsvinden in een laag substraat (blauw dak). Uitgaande van 50 % van de oppervlakte die gereserveerd is voor het MFA (1.050 m2) verminderd de bergingsopgave met circa 84 m3.

In overleg met de gemeente Montferland en het waterschap Rijn en IJssel zal bekeken moeten worden aan welke eisen een groen en/of blauw dak dient te voldoen om als compensatie in aanmerking te komen.

Ad 2.

Afstromend hemelwater kan tijdelijk geborgen worden door het maaiveld te verlagen. Hier kan het hemelwater dan infiltreren in de bodem of langzaam afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. In het noordelijk plangebied is verlaging van het maaiveld mogelijk in de groene buffer tussen de woningen en de MFA. Uitgaande dat er 50 % van het groen gebruikt kan worden voor de opvang van hemelwater, waarbij de diepte van de bergingsvoorziening (wadi) 0,5 meter bedraagt en 0,3 meter water geborgen wordt, kan er in het groen (circa 2.700 m2) dan circa 350 m3 water geborgen worden. De inrichting van het zuidelijke plangebied is nog niet inzichtelijk. Uitgaande van een bergingsvoorziening (wadi) met een diepte van 0,5 meter, welke 50 % van de oppervlakte beslaat die aangeduid is als 'groen' (grootte circa 1.025) en een berging van 0,3 meter, bedraagt de berging circa 140 m3.

Op basis van de resultaten van het doorlatendheidsonderzoek wordt infiltratie in de bodem als 'niet kansrijk' geacht. Hiermee dient bij het ontwerp van de bergingsvoorzieningen rekening gehouden te worden.

Ad 3.

De te realiseren parkeerplaatsen (zuidelijk van de MFA) kunnen worden voorzien van waterdoorlatende verharding (zoals grasbetonstenen) zodat het hemelwater kan infiltreren in de bodem. Conform het beleid van het waterschap tellen deze waterdoorlatende verhardingen voor 70 % mee in de bergingsopgave. De bergingsopgave vermindert hiermee met circa 90 m3. Omdat dit deel van het plangebied in de huidige situatie ook al (grotendeels) verhard is, is hierbij uitgegaan van de bergingseis van 40 mm.

Ad. 4

Middels het aanbrengen van een drainerend zand onder de waterpasserende verharding van de parkeerplaatsen kan hemelwater geborgen worden. Uitgaande van een laag van 30 cm zand onder de parkeerplaatsen (oppervlakte circa 3.200 m2) bedraagt de (maximale) bergingscapaciteit circa 320 m3, uitgaande van een verzadigingsgraad van ongeveer 30 % van het drainzand. Eventueel kunnen de parkeerplaatsen ook nog verlaagd worden aangelegd, waardoor tevens berging op het maaiveld mogelijk is.

Ad. 5.

Eventueel kan ondergrondse berging gerealiseerd worden, middels het toepassen van infiltratiekratten, een IT riool of steenwol. Gelet op de vastgestelde doorlatendheid van de bodem dient er wel bodemverbetering plaats te vinden.

Naast deze bergingsmogelijkheden in de openbare ruimte kan bepaald worden dat er bij de particuliere percelen berging op eigen terrein plaatsvindt. Ook kan bekeken worden of een deel van het hemelwater naar het bos ten noorden van de voetbalvelden geleidt kan worden.

Vervolg

Het uiteindelijke systeem voor de berging (en infiltratie) van hemelwater wordt in overleg met de gemeente verder uitgewerkt. Op basis van de beschikbare ruimte en de opties voor waterberging vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

Riolering

In overleg met de gemeente zal bekeken moeten worden of en hoe de te realiseren woningen op het bestaande rioolsysteem aangesloten kunnen worden. De DWA (droogweerafvoer) wordt bepaald door de piekafvoer en het (gemiddeld) aantal bewoners.

  • 6. Piekafvoer afvalwater: 10 liter per uur en 120 liter per dag per inwoner (alleen overdag wordt berekend);
  • 7. Gemiddelde bezetting per woning: 2,5 inwoners.

De huidige plannen voorzien in de realisatie van totaal 17 woningen. De verwachtte DWA bij een piekbelasting betreft bij de woningen circa:

Aantal woningen x 2,5 inwoner/woning x 0,012 m³/uur/inw.

De piekbelasting van de DWA na realisatie van woningen bedraagt dan naar inschatting circa 0,51 m3. Voor de MFA geldt dat deze de bestaande kantine van de voetbalclub en het dorpshuis vervangt. Om die reden wordt ervan uit gegaan dat er geen sprake zal zijn van een significante toename van de DWA afkomstig van de MFA.

Klimaatadaptieve inrichting

Binnen het plangebied zal rekening gehouden worden met het veranderende klimaat. Het plangebied zal klimaatrobuust worden ingericht. Naast de ontwikkeling van het onderhavige plangebied zullen ook de voetbalvelden klimaatadaptief ingericht worden.

Voetbalvelden

De voetbalvelden op het terrein van v.v. De Sprinkhanen zullen worden teruggebracht van 4 naar 2,5. Deze nieuwe velden betreffen zogenaamde DrainTalent velden.

Het is een geautomatiseerd pompsysteem om de bodemconditie van de voetbalvelden op peil te houden en te verbeteren. De DrainTalent voegt water toe of onttrekt water aan de bodem. Het systeem kan ook meststof aan het water toevoegen. Door de Draintalent gaat de kwaliteit van de velden omhoog, waardoor ze intensiever kunnen worden gebruikt. Daardoor is het een milieuvriendelijk alternatief voor kunstgras. Met het systeem kan bovendien veel bespaard worden op het waterverbruik.

Bij een inventarisatie naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkelingen op het sportpark zijn levendbarende hagedissen aangetroffen in de bosrand nabij de sportvelden. Ter compensatie van het verlies aan leefgebied zal een gebied van circa 1.625 m2 worden ingericht als bos/natuur, waarbij specifiek aandacht is voor het leefgebied van de levendbarende hagedis.

Deelgebied Meikamerlaan

Tussen de te realiseren woningen aan de Meikamerlaan en de MFA wordt een 'groene buffer' gerealiseerd worden. De bomen langs de Meikamerlaan zullen zoveel als mogelijk ingepast worden. Het groen tussen de woningen en de MFA vormt naast een buffer voor geluid van de MFA en het sportpark ook een mogelijkheid voor het klimaatadaptief inrichten van het plangebied. In deze groene zone kan waterberging plaatsvinden, het opgevangen water vormt dan een buffer voor de droge periodes.

Deelgebied Smallestraat

Voor deelgebied Smallestraat is nog geen definitieve inrichting bepaald. Wel geldt het uitgangspunt dat minimaal 25% van het gebied onverhard zal worden ingericht. Dit biedt mogelijkheden voor klimaatadaptieve maatregelen zoals hiervoor beschreven. Ook voor de te verharden delen van het plangebied kunnen klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen getroffen worden.

4.8.3 Watertoets

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.

Op basis van de ingevulde digitale watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat er waterstaatkundige belangen zijn. Deze belangen zijn zodanig van aard en omvang dat overleg met het waterschap gewenst is. De ingevulde watertoets is als bijlage bij de waterhuishoudkundige analyse gevoegd.

4.8.4 Overleg Waterschap Rijn en IJssel

Het plan is in het kader van het vooroverleg aan het waterschap toegestuurd. De reactie van het waterschap is opgenomen in paragraaf 6.1.

4.8.5 Conclusie

Met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied zijn geen negatieve gevolgen te verwachten voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1 Algemeen

Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten.

4.9.2 Toetsing

Archeologie

Door Hamaland Advies is in maart 2023 een archeologisch bureau-, bouwdossier-, en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld.

Bureauonderzoek

Uit het bureauonderzoek blijkt dat binnen de deelgebieden voor het grootste gedeelte sprake is van dekzandwelvingen, waar in deelgebied Meikamerlaan vlakvaaggronden en in deelgebied Smallestraat poldervaaggronden op zijn afgezet. Dekzandwelvingen nemen zowel in landschappelijk als in archeologisch opzicht een middenpositie in. Binnen de eenheid van de dekzandwelvingen is de kans op de aanwezigheid van archeologische resten het grootst op de hoogste delen en langs de randen van hoge dekzandruggen. Het zuidelijke deel van deelgebied Smallestraat bestaat uit verspoelde dekzanden, hiervoor geldt een lagere verwachting. Voor archeologische resten vanaf de Late Middeleeuwen geldt een lage verwachting, aangezien de deelgebieden destijds een agrarische functie hadden. De deelgebieden liggen langs een historische weg, maar gezien de geringe grootte van Nieuw-Dijk in het verleden, verhoogt dit niet de verwachting op archeologische resten. Voor de overige periodes geldt een middelhoge verwachting in verband met de landschappelijke ligging. Er zijn maar een klein aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd in de omgeving van de deelgebieden en er is daarom weinig informatie beschikbaar over archeologische resten in de omgeving.

Uit het cartografisch onderzoek blijkt dat deelgebied Meikamerlaan nooit bebouwd is geweest voor zover op te maken is uit historische kaarten. Verder wordt er voor dit deelgebied in eerste instantie vanuit gegaan dat er geen drainage is aangelegd op het voetbalveld. Om die reden wordt verwacht dat er binnen deelgebied Meikamerlaan geen diepe bodemverstoringen voorkomen.

Op de funderingstekening van de huidige bebouwing binnen deelgebied Smallestraat is te zien dat onder de volledige bebouwing funderingssleuven zijn gegraven en een aantal funderingspoeren zijn geplaatst. Deze werkzaamheden hebben de bodem tot 2 m onder het peil verstoord, dus dat betekent dat er geen intacte archeologische lagen meer aanwezig zullen zijn onder de huidige bebouwing in deelgebied Meikamerlaan. Naast de huidige bebouwing is dit deelgebied eerder bebouwd geweest in de uiterste noordwestelijke hoek. De bodem zal onder deze bebouwing tot onbekende diepte verstoord zijn. Omdat het bebouwing uit het begin van de 20e eeuw betreft, hoeft deze bebouwing niet per sé diep gefundeerd te zijn.

Booronderzoek

In deelgebied Meikamerlaan, bestaat de bodemopbouw uit één, twee of drie subrecent opgebrachte geroerde lagen. De diepte van de ondergrens en de samenstelling loopt sterk uiteen. Daarnaast is deze bodem volledig gedraineerd ten behoeve van het voetbalveld. De ondergrens van de subrecente verstoring bevindt zich tussen 55 cm-mv en 115 cm-mv. In één boring is één opgehoogde laag aangebracht bestaande uit grijs/bruin zeer fijn zand. In een andere boring bestaat de ophogingslaag uit drie ophogingslagen waarvan de tweede laag 10 cm dik is en bestaat uit sterk gevlekt fijn zand met baksteenpuin. De basis van het bodemprofiel bestaat ter plaatse van het deelgebied in alle boringen uit afgetopt dekzand behorend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden.

In deelgebied Smallestraat bestaat de bodemopbouw uit twee of drie subrecente ophogingslagen tot een diepte variërend van 70 cm-mv tot 95 cm-mv. In vier boringen bevatten de ophogingslagen betonpuin, baksteenpuin en plastic. Deze subrecente ophogingslagen gaan in één boring over in zeer fijn zand. In de overige boringen in dit deelgebied gaan de ophogingslagen scherp over naar een pakket matig gerijpte sterk zandige klei (zavel), die als oeverafzettingen van de Formatie van Echteld zijn geïnterpreteerd. Deze afzettingen zijn gevormd voor de bedijking van de Rijn en IJssel (voor 1100), maar hebben kortstondig aan de oppervlakte gelegen waardoor ze matig gerijpt zijn. In drie boringen gaan deze afzettingen geleidelijk over in sterk siltig fijn zand met roestvlekken. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als verspoeld dekzand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden.

Selectieadvies 

In deelgebied Meikamerlaan zijn in tegenstelling tot de verwachting uit het bureauonderzoek geen vlakvaaggronden aangetroffen. De bodem is als gevolg van de aanleg en drainage van het voetbalveld in het verleden verstoord tot in de top van het dekzand, waarbij ook de top van het dekzand vergraven is. Op grond hiervan kan de archeologische verwachting in dit deelgebied bijgesteld worden naar laag voor alle perioden met als indicatie 'verstoord'.

In deelgebied Smallestraat is de oorspronkelijke bodemopbouw grotendeels verstoord. In de diepere ondergrond zijn slecht ontwikkelde oeverafzettingen aangetroffen die slechts kortstondig aan de oppervlakte hebben gelegen, waardoor ze niet geschikt zijn geweest voor permanente menselijke bewoning. Onder de oeverzettingen is een verspoeld dekzandpakket aangetroffen als gevolg van activiteiten van de rivier voor de bedijking (voor 1100). Op grond hiervan kan de archeologische verwachting voor dit deelgebied eveneens bijgesteld worden laag voor alle perioden.

Vervolgonderzoek wordt op basis van het onderzoek niet noodzakelijk geacht. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen intacte behoudenswaardige vindplaatsen verloren gaan is nihil.

Selectiebesluit

Het conceptrapport en het selectieadvies zijn door het bevoegd gezag (gemeente Montferland) getoetst. Er zijn geen opmerkingen op het rapport en het selectieadvies wordt overgenomen. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie

De historische groei van Nieuw-Dijk begint met de bouw van hoeven langs de Bosstraat en bij de Klauwenhof, die de overgang markeert van de bouwlanden ten westen van de Bosstraat naar de bosmarken en woeste heidegronden ten oosten van de Bosstraat. Westelijk van de Bosstraat liggen meer kronkelende wegen waaraan oude huiskampen te vinden zijn.

Omstreeks 1900 was de voormalige gemeente Didam een uitgestrekt gebied, waarvan het dorp Didam het centrum was. Daar stond ook de enige Rooms Katholieke kerk. Er was één kerkparochie in de gehele gemeente Didam. Omdat het aantal parochianen groeide, werd de kerk te klein en zocht men naar een passende oplossing. Deze nieuwe parochie werd in 1910/1911 gesticht in het buurtschap Den Bosch, dat toen hernoemd werd tot Nieuw-Dijk.

Aanvankelijk zou de kerk gebouwd worden aan de Beekseweg omdat dit de enige verharde weg op dat moment was (hoek Beekseweg- Bosstraat). Door een grondschenking werd de kerk uiteindelijk aan de Smallestraat gebouwd. Met de bouw van een kerk en de school (1915) groeit het buurtschap langzaam uit tot dorp. Daarmee ontstond behoefte aan (meer) voorzieningen. De Smallestraat werd in de loop van de jaren steeds meer het dorpscentrum.

In de navolgende afbeeldingen zijn fragmenten van de topografische kaarten uit 1931, 1957 en 1977 opgenomen. Uit de historische kaart van 1931 blijkt dat er ter plekke van deelgebied Meikamerlaan bos aanwezig was. Op de historische kaart van 1957 is te zien dat een deel van het bos is gekapt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bpsgnwdalgdorpspla-va01_0022.png"

Tot de jaren vijftig verandert er in Nieuw-Dijk weinig. Vanaf dan begint het kerkdorp zich aanmerkelijk uit te breiden. Op het kaartfragment uit 1977 is te zien dat het dorp zich voornamelijk vanuit de Smallestraat in noordelijke richting heeft uitgebreid tot aan het verlengde van de Bosstraat. Ook de infrastructuur in de omgeving is verder ontwikkeld met onder andere de realisatie van de autosnelweg A18. Ook het belang van de Bosstraat en Smallestraat als ontsluitingswegen in de kern Nieuw-Dijk is duidelijk te zien.

De ontwikkeling van de vier vrijstaande woningen in deelgebied Meikamerlaan vindt plaats aan een historische laan. De bomen langs de historische laan blijven in het plan behouden en er wordt voldoende afstand tot deze bomen gehouden. Door de ondergroei bij deze bomenrij op te schonen wordt de structuur van de historische laan versterkt.

De bestaande te slopen bebouwing in het plangebied en ook het clubgebouw van v.v. Sprinkhanen zijn niet aan te merken als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

Met de voorgenomen ontwikkeling vindt geen aantasting aan cultuurhistorisch waardevolle lijnen of elementen plaats. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie.

4.9.3 Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.10 Ecologie

4.10.1 Algemeen

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten.

4.10.2 Toetsing

Quickscan natuuronderzoek

In het kader van onderhavig plan is door Foreest Groen Consult in juni 2020 een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 12 bijgevoegd. Dit onderzoek is uitgevoerd naar een groter gebied dan alleen het plangebied. Navolgend wordt alleen ingegaan op de conclusies die relevant zijn voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.


Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt buiten de Natura 2000 gebieden en op ruime afstand tot deze gebieden (ruim 4,3 km). Van een externe werking zal geen sprake zijn indien de locatie als wonen of kleine bedrijvigheid wordt bestemd. Op de mogelijk negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie wordt later in deze paragraaf ingegaan.

Het plangebied ligt buiten de zones van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). De kernkwaliteiten worden met de ontwikkeling niet aangetast.

Soortenbescherming

Uit de quickscan komt naar voren dat de bestaande gebouwen in deelgebied Smallestraat mogelijk geschikt zijn voor vleermuizen. Om die reden is nader onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk.

Aangegeven wordt dat het plangebied deel kan uitmaken van het leefgebied van de wezel en de das. Dit geldt voor de beplantingen rondom de sportvelden en het dorpshuis. Zolang de beplantingen rondom de sportaccommodatie en het dorpshuis intact blijven is nader onderzoek op deze twee plaatsen niet noodzakelijk. Omdat niet kan worden uitgesloten dat de beplantingen niet worden verwijderd, is nader onderzoek naar marterachtigen noodzakelijk.

Verstoring van overige beschermde flora en fauna als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt op basis van de quickscan niet verwacht.

Nader onderzoek vleermuizen

Op basis van de uitkomsten van de uitgevoerde quickscan is door Foreest Groen Consult in de zomer van 2020 een nader onderzoek naar de soortgroep vleermuizen uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 13 bijgevoegd.

Uit het onderzoek komt naar voren dat in het te slopen clubgebouw een verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Voor de sloop is daarom en ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Nader onderzoek marterachtigen

Door Foreest Groen Consult is in juli 2023 een nader onderzoek naar marterachtigen (steenmarter, wezel en das) uitgevoerd. Dit nader onderzoek is als Bijlage 14 bijgevoegd.

Uit het onderzoek blijkt dat steenmarter en wezel in het plangebied zijn aangetroffen. De steenmarter is waargenomen in het bosje achter het dorpshuis en de wezel in bosjes nabij de voetbalvelden. Met het initiatief verdwijnen de beplantingen waar deze marterachtigen zijn aangetroffen.

In het eerdere nader onderzoek naar vleermuizen is destijds ook een jonge steenmarter waargenomen nabije de sporthal. Dit toont aan dat in de onmiddellijke omgeving van het plangebied een territorium van een vrouwelijke steenmarter ligt. De takhoutril nabij de sporthal moeten worden aangemerkt als vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter. De beplanting aan de Meikamerlaan is functioneel leefgebied van de wezel en/of verblijfplaats. De aangetroffen holen van de rosse woelmuis en bosmuis kunnen door de wezel worden gebruikt. Het is echter meer aannemelijk dat de wezel zijn vaste rust en verblijfplaats heeft in het aangrenzende bos.

Het verwijderen van de beplantingen leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de steenmarter en wezel. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is daarom noodzakelijk.

De das is niet aangetroffen. De Wet natuurbescherming wordt voor de das niet overtreden.

Voortoets stikstof

Door Buro Ontwerp & Omgeving is in augustus 2023 een voortoets uitgevoerd naar de de stikstofdepositie op nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden ten gevolge van de bouw en het gebruik van de zeventien woningen en de MFA. De voortoets is als Bijlage 15 bijgevoegd.

Uit de uitgevoerde voortoets stikstof blijkt dat de realisatie van de MFA en zeventien woningen in Nieuw-Dijk niet leidt tot een toename in stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen significante negatieve effecten zijn en dat er geen passende beoordeling nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken.

Plan van aanpak gewone dwergvleermuis, steenmarter en wezel

Uit de nadere onderzoeken naar vleermuizen en marterachtigen is gebleken dat in verband met het initiatief een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is voor de soorten gewone dwergvleermuis, steenmarter en wezel. Ten behoeve van de ontheffing is door Foreest Groen Consult een ecologisch plan van aanpak opgesteld. Dit plan is als Bijlage 16 bijgevoegd.

In het plan worden maatregelen genoemd om de gevolgen van de ontwikkeling voor de genoemde soorten, voor, tijdens en na de realisatie zoveel mogelijk te voorkomen. Met het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen wordt de ontheffing van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de gewone dwergvleermuis, steenmarter en wezel naar verwachting verleend.

4.10.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.11 Verkeer en parkeren

4.11.1 Algemeen

Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse.

4.11.2 Toetsing

Verkeer

Wijze van ontsluiten

De woonpercelen in deelgebied Smallestraat die direct grenzen aan de Smallestraat worden direct op de Smallestraat ontsloten. De overige woningen worden via een ontsluitingsweg ontsloten op de Smallestraat. Deze ontsluitingsweg takt aan op de Smallestraat ter hoogte van de bestaande T-splitsing Meikamerlaan/Smallestraat. Hierdoor ontstaat een kruising.

De woningen in deelgebied Meikamerlaan worden ontsloten via een gezamenlijke oprit die tussen twee bomen loopt. Via de Meikamerlaan

De MFA zal bereikbaar zijn via de bestaande ingang van het sportpark van v.v. Sprinkhanen aan de Smallestraat. De MFA is tevens (voor fietsers en voetgangers) via het pad aan de Meikamerlaan bereikbaar.

Aantal verkeersbewegingen

Met de realisatie van de MFA is sprake van een verplaatsing van functies die eerder in deelgebied Smallestraat en nu in deelgebied Meikamerlaan een plek krijgen. De functies verplaatsen daarmee binnen het plangebied. Dit houdt in dat met het initiatief het aantal verkeersbewegingen per saldo alleen toeneemt als gevolg van de maximaal zeventien nieuwe woningen.

Voor wat betreft het te verwachten aantal verkeersbewegingen per woning is uitgegaan van de kengetallen van het CROW3 die gelden voor de verstedelijkingsgraad 'weinig stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Uitgaande van vier vrijstaande woningen ('Koop, huis, vrijstaand') in deelgebied Meikamerlaan is het aantal verkeersbewegingen gemiddeld 8,2 per woning, per dag. Dit betekent dat met de realisatie van de vier woningen 32,8 verkeersbewegingen per dag tot stand komen.

In deelgebied Smallestraat worden verschillende type woningen gerealiseerd met een maximum van dertien. De precieze verdeling van het type woning staat nog niet vast. Indien wordt uitgegaan van een worst-case scenario van dertien vrijstaande woningen bedraagt het aantal verkeersbewegingen gemiddeld (13*8,2=) 106,6 verkeersbewegingen per dag.

In totaal is de verkeersaantrekkende werking van het initiatief daarmee (worst-case gezien) 139,4. De Smallestraat, Meikamerlaan en de verder gelegen Beekseweg hebben voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woningen te kunnen verwerken.

Parkeren

Deelgebied Smallestraat

Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Voor dit deelgebied is nog niet bekend hoeveel woningen, van welke type worden gerealiseerd. Het maximum aantal woningen ligt wel vast, namelijk dertien.

Op basis van de eerder genoemde kengetallen van CROW bedraagt de parkeerbehoefte minimaal:

  • 1,9 parkeerplaatsen voor vrijstaande woningen;
  • 1,8 parkeerplaatsen voor twee-aaneengebouwde woningen; en
  • 1,6 parkeerplaatsen voor aaneengebouwde woningen.

Op basis van de indicatieve stedenbouwkundige invulling van dit deelgebied, zoals weergegeven in paragraaf 2.3.2 is binnen en aansluitend aan het plangebied voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen. In de regels van het bestemmingsplan (artikel 9.1) is geborgd dat er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

Deelgebied Meikamerlaan

Voor de woningen binnen dit deelgebied geldt een parkeerbehoefte van minimaal 1,9 parkeerplaats per woningen. De parkeerbehoefte van de woningen zal volledig worden voorzien op eigen terrein door per woning twee parkeerplaatsen te realiseren.

Het parkeren ten behoeve van de MFA (en de voetbalvereniging) zal plaatsvinden ter plaatse van het clubgebouw. Deze ruimte komt vrij met de sloop van het clubgebouw.

4.11.3 Conclusie

De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.12 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

4.12.1 Algemeen

Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

4.12.2 Economische uitvoerbaarheid

In artikel 6.12 van de Wro is opgenomen dat een gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Uitzondering daarop vormt de situatie waarin het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd.

Voor het initiatief is een exploitatiebegroting opgesteld door de partijen die direct bij de exploitatie van de MFA zijn betrokken. De gronden ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen worden na vaststelling van het bestemmingsplan uitgegeven. De kosten voor de plantontwikkeling worden deels gedekt met de opbrengst van de verkoop van de woonkavels. De kosten voor wat betreft de ruimtelijke procedure worden betaald uit algemene middelen. Uit het dekkingsplan van de 'dorpsvisie Nieuw-Dijk 2020-2030' (d.d. 3-8-2022, vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 15-9-2022) blijkt dat de ontwikkeling financieel haalbaar is.

4.12.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het dorpsplan is met vertegenwoordigers en de verenigingen uit het dorp tot stand gekomen.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

5.1.1 Wat is een bestemmingsplan

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang).


Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).

Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

  • het bebouwen van de gronden;
  • het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (aanleggen).


Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid.

5.1.2 Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:

  • Via een dubbelbestemming
    Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
  • Via een aanduiding
    Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
5.1.3 Hoofdstukindeling van de regels

De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).

  • 2. Bestemmingsregels
    In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen.

    Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

    Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld.

  • 3. Algemene regels
    In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels.

  • 4. Overgangs- en slotregels
    In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2.1 Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

Gemengd

De beoogde locatie van de MFA is bestemd als 'Gemengd'. De gronden met deze bestemming zijn zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen (met uitzondering van scholen en kinderdagverblijven), cultuur en ontspanning, sportvoorzieningen, dienstverlening, kantoren, detailhandel, ondergeschikte horeca en bij een en ander behorende werkplaatsen, ateliers, magazijnruimten en bergingen. Verder zijn de gronden bedoeld voor wegen, paden, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

De bebouwing van de MFA moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bouwhoogte bedraagt maximaal 8 m. In het bouwvlak is een bebouwingspercentage opgenomen van 80%. Dit betekent dat maximaal 80% van het bouwvlak bebouwd mag worden.

Overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouw zijnde) zijn, onder voorwaarden, ook toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels.

Groen

De ruimte tussen de MFA en de woningen in deelgebied Meikamerlaan zijn bestemd als 'Groen'. Ook de bomenrijen ten noorden, westen en zuiden van de woningen zijn als 'Groen' bestemd. Gronden met deze bestemming zijn aangewezen voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, parken en plantsoenen, dierenweiden, paden, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Om de ontsluiting tussen de nieuwe woningen en de Meikamerlaan mogelijk te maken, is een aanduiding 'ontsluiting' opgenomen tussen twee bomen. De ontsluitingsweg mag uitsluitend binnen die aanduiding worden aangelegd.
Binnen de bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Overige bouwwerken (zoals speeltoestellen) zijn wel toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels van de bestemming.

Tuin

De gronden tussen de nieuw te bouwen woning in deelgebied Meikamerlaan en de bomenrij aan de Meikamerlaan zijn bestemd als 'Tuin'. Ook een deel van de gronden ten noorden en zuiden van de zijn als zodanig bestemd. De gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor tuinen, parkeervoorzieningen en ontsluitingswegen.

Op en in de gronden van deze bestemming mogen, onder voorwaarden, uitsluitend erkers en ingangspartijen aan een woning en bij de bestemming behorende overige bouwwerken, zoals erf- of perceelafscheidingen en tuinmeubilair, niet zijnde carports en overkappingen worden gebouwd.

In de bouwregels van deze bestemming zijn de maatvoeringseisen voor de bouw van de toegestane bouwwerken opgenomen.

Wonen

De gronden ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen in deelgebied Meikamerlaan zijn bestemd als 'Wonen'. Hiermee zijn de gronden bestemd voor woningen, beroepen aan huis, tuinen en erven.

Van de gebouwen binnen deze bestemming mag, onder voorwaarden, 30% van de vloeroppervlakte tot een maximum van 50 m2 gebruikt worden voor een beroep aan huis.

Binnen de bestemming mogen woningen, aan- of uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken, zoals erf- of perceelafscheidingen en tuinmeubilair worden gebouwd. Binnen de bestemming is één bouwvlak opgenomen. Binnen dit bouwvlak mogen vier vrijstaande woningen worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte van de nieuwe woningen bedraagt respectievelijk 4 m en 9 m.

Bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen) en overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouw zijnde) zijn, onder voorwaarden, ook toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels.

In de regels van de bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het toestaan van een bedrijf aan huis. Voor de afwijking gelden aanvullende voorwaarden voordat deze kan worden verleend.

In verband met de ligging nabij de sportvelden dienen de gevels van woningen ter hoogte van een derde bouwlaag die gericht is op het noorden en oosten (zijdes gericht op de sportvelden) als een dove gevel worden uitgevoerd. Deze bepaling geldt niet voor de gevels aan deze zijden op de eerste bouwlaag (begane grond) en tweede bouwlaag (1e verdieping). Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai (zie paragraaf 4.6.2) blijkt namelijk dat op deze hoogte sprake is van een acceptabel woon- een leefklimaat. In de regels is een afwijkingsbevoegdheid voor het college opgenomen om ook reguliere gevels (niet zijnde dove gevels) op de derde bouwlaag aan de noord- en oostzijde te realiseren. Voorwaarde daarbij is dat uit akoestisch onderzoek blijkt dat er daar sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Woongebied

Omdat de exacte invulling van deelgebied Smallestraat nog niet bekend is, is dit deelgebied in zijn geheel bestemd als 'Woongebied'. Deze bestemming is ten opzichte van de reguliere bestemming 'Wonen' flexibeler, omdat de gronden tevens zijn bestemd voor openbare ruimte in de vorm van bijvoorbeeld een ontsluitingsweg of groenvoorzieningen.

De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn naast de dertien grondgebonden woningen met bijbehorende tuinen en erven en een eventueel een beroep aan huis eveneens bestemd voor wegen, pleinen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf; parkeer-, groen-, speel- en nutsvoorzieningen; en waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen.

Op de verbeelding is een aanduiding 'ontsluiting' binnen deze bestemming opgenomen. In de regels van de bestemming is opgenomen dat de ontsluitingsweg van het deelgebied (en eventueel het toekomstige woongebied ten zuiden van Nieuw-Dijk) uitsluitend binnen de zone van de aanduiding mag aantakken op de Smallestraat. Hiermee is geborgd dat de ontsluiting plaatsvindt op de kruising van de Meikamerlaan met de Smallestraat. Woningen waarvan de oprit grenst aan de Smallestraat mogen wel direct op deze weg ontsluiten.

Binnen de bestemming mogen woningen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, zoals erf- of perceelafscheidingen en tuinmeubilair worden gebouwd. Binnen de bestemming zijn bouwvlakken opgenomen. De woningen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd. Op de verbeelding is aangegeven dat maximaal dertien woningen zijn toegestaan. De woningen mogen zowel vrijstaand, twee-aangebouwd als aaneengebouwd worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte van de woningen zijn op de verbeelding opgenomen. Aan de Smallestraat is een zone opgenomen waarbij de maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 4 m en 9 m bedraagt. De woningen die verder van de weg af komen te liggen mogen een grotere goot- en bouwhoogte hebben, namelijk respectievelijk 6 m en 10 m.

Bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen) en overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouw zijnde) zijn, onder voorwaarden, ook toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels.

Van de gebouwen binnen deze bestemming mag 30% van de vloeroppervlakte tot een maximum van 50 m2 gebruikt worden voor een beroep aan huis. In de regels van de bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het toestaan van een aan huis gebonden bedrijf. Voor de afwijking gelden aanvullende voorwaarden voordat deze kan worden verleend.

5.2.2 Algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan naar de verschillende overlegpartners gestuurd. Voor Waterschap Rijn en IJssel en de Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland (VNOG) gaf het bestemmingsplan aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen.

Waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap doet enkele aanbevelingen over de wijze waarop de toename van het verhard oppervlak kan worden gecompenseerd. Wanneer de bouwplannen concreter worden, kan beter bekeken worden op welke wijze de berging en infiltratie kan plaatsvinden. Het waterschap ziet de verdere uitwerking van de waterhuishoudkundige maatregelen graag tijdig tegemoet. Dan kan ook beter beoordeeld worden of de aannames en de uitgangspunten niet te ver uiteenlopen van het beleid van Waterschap Rijn en IJssel. Op die manier kan worden voorkomen dat in een later stadium aanpassingen aan de dimensionering van de waterberging nodig is.

Verder geeft het Waterschap aan dat sinds 1 januari 2024 de Omgevingswet is ingevoerd en ook de waterschapsverordening van kracht. Hierin is een vergunningplicht opgenomen voor de aanleg van verhardingen >500 m2 die direct of indirect afwateren op het oppervlaktewatersysteem. In de watervergunning worden voorschriften opgenomen voor een maximale lozing op het oppervlaktewatersysteem. De basis daarvoor zijn de uitgangspunten van het Waterschap.

VNOG

De VNOG geeft aan dat op basis van de aangeleverde stukken blijkt dat het voornemen past binnen de normen van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Verder heeft de VNOG advies gegeven over de verantwoording van het groepsrisico. Dit advies is opgenomen in paragraaf 4.5 .

6.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 4 oktober 2023 gedurende zes weken ter visie gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan is binnen de daarvoor gestelde termijn één zienswijze naar voren gebracht.

De zienswijze is beantwoord door de gemeente en de nota hiervan is als bijlage bij dit plan opgenomen (Bijlage 17). De zienswijze heeft niet geresulteerd in aanpassingen aan het plan.