direct naar inhoud van 3.2 Bodem
Plan: Heeghstraat, Didam
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1955.bpsgddmwonheeghstr-or01

3.2 Bodem

In het plangebied is door Hunneman Milieu-advies in de maanden januari en februari 2008 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (projectnummer 2008033-01/dh/sh, februari 2008, zie bijlage 1). Doel van het onderzoek is te bepalen of er op de locatie redelijkerwijs wel/geen sprake is van bodemverontreiniging.

Het onderzoek op het erfperceel is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie op onverdachte locatie (strategie "ONV" uit de NEN 5740) bij verkennend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 in combinatie met een verkennend asbestonderzoek volgens de NEN 5707. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank, opslag bestrijdingsmiddelen en olie en de septictank is aanvullend veld- en/of chemisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek ter plaatse van de landbouwpercelen is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek op grootschalig onverdachte locaties (strategie "ONV-GR" uit de NEN 5740).

De conclusies en aanbevelingen, zoals opgenomen in de genoemde rapportage, betreffen:

"Tijdens het veldonderzoek zijn in diverse boringen zwakke tot sterke bijmengingen aan puin- en/of kooldeeltjes waargenomen. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal in de bodem aangetroffen. Zintuiglijk zijn geen oliecomponenten waargenomen.

In de vaste bodem zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en/of minerale olie aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de streefwaarden maar vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. In de vaste bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen boven de bepalingsgrens.

In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, vluchtige aromaten en/of VOCl aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de streefwaarden maar vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. De aangetoonde gehalten aan zware metalen betreffen naar verwachting van nature aanwezige achtergrondgehalten."

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek kan worden geconcludeerd dat de milieuhygiƫnische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) geen belemmering vormen voor de geplande ontwikkelingen op de locatie. Aanvullend of nader onderzoek in het plangebied wordt niet noodzakelijk geacht.