direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Uitbreiding Landal Stroombroek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Ten noorden van Braamt ligt het vakantiepark Landal Stroombroek met 227 recreatiewoningen en diverse bijbehorende voorzieningen zoals een overdekt zwembad, horeca, bowlingbanen, indoor-speelparadijs, escaperoom, welnesscenter, midgetgolfbaan en een grote recreatieplas met strand.

Landal Greenparks wil het park uitbreiden met 21 luxe, vrijstaande recreatiewoningen geschikt voor groepen van 8/12 of 16 personen. De uitbreiding is een logische aanvulling op het bestaande accommodatieaanbod en wordt ruimtelijk gezien op passende wijze aan het park toegevoegd. Hiertoe is op 10 november 2020 een definitief principeverzoek ingediend. Zie hiervoor Bijlage 1 PRINCIPEVERZOEK STROOMBROEK_2020-11-10

Burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland hebben op 24 november 2020 besloten om onder voorwaarden medewerking te willen verlenen aan het initiatief via de in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Zie hiervoor Bijlage 2 Principebesluit. Omdat de ontsluiting van de uitbreiding naar het bestaande vakantiepark buiten het wijzigingsgebied ligt, kan niet geheel aan de wijzigingsvoorwaarden worden voldaan en is het noodzakelijk om de procedure te volgen van een partiele herziening van het bestemmingsplan.

Ligging plangebied: Het plangebied vakantiepark Landal Stroombroek ligt ten noorden van de kern Braamt in het buitengebied van de gemeente Montferland (Bron: PDOK).

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0002.png"

Om het initiatief mogelijk te maken, is het voorliggende bestemmingsplan, genaamd Bestemmingsplan 'Buitengebied, Uitbreiding Landal Stroombroek' opgesteld. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt ingegaan op de ruimtelijke en milieu-technische haalbaarheid van het plan. De regels en de verbeelding dienen in samenhang met elkaar te worden gelezen en geven de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied weer.

1.2 Opbouw bestemmingsplan

Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie, het geldende planologische regiem en de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het geldende beleidskader. De ruimtelijke en milieutechnische beoordeling op de diverse ruimtelijke en milieutechnische aspecten komt aan de orde in hoofdstuk 4. Ook wordt daarbij ingegaan op het al dan niet noodzakelijk zijn van een (vormvrije) mer-beoordeling. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische aspecten en de doorvertaling van de planontwikkeling naar regels en verbeelding. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid. Daarbij wordt ook ingegaan op de dialoog die in het kader van deze ontwikkeling met de omgeving heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het vakantiepark telt op dit moment 227 recreatiewoningen en diverse bijbehorende voorzieningen zoals een overdekt zwembad, horeca, bowlingbanen, indoor-speelparadijs, escaperoom, welnesscenter, midgetgolfbaan en een grote recreatieplas met strand. De uitbreidingslocatie is onbebouwd en bestaat uit agrarische cultuurgrond.

Huidige situatie van het plangebied (Bron: PDOK)

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0004.png"

Zicht op de uitbreidingslocatie vanaf de zuidzijde (Bron: VAB Architecten)

De ruimtelijke-functionele structuur van de directe omgeving wordt gekenmerkt door het bestaande vakantiepark met bijbehorende recreatieplas en omliggende agrarische cultuurgronden. De belangrijkste ruimtelijke structuurdragers in de omgeving zijn de N316 aan de rechterzijde van het vakantiepark, en de A18 en de stad Doetinchem ten noorden van het vakantiepark.

Het aanbod aan vakantiewoningen op het bestaande vakantiepark is wat eenzijdig en verouderd. Het bestaande park voorziet niet in woningen die voor meer dan 10 personen geschikt zijn. In de afgelopen jaren is de vraag naar 3 generatiewoningen landelijk gestaag toegenomen. Hiernaast beschikt het huidige park niet over 8 persoons recreatiewoningen. Ook de vraag naar deze woningen is groot. In het segment vanaf 6 personen hebben alle bestaande recreatiewoningen op Landal Stroombroek het label basis of comfort maar het label luxe ontbreekt. De vraag naar woningen met het label luxe neemt echter nog altijd toe. Het toevoegen van woningen met dit label zal daarom het volledige vakantiepark ten goede komen.

De aanwezigheid van faciliteiten voor jong en oud (zwembad, animatie, saunacomplex) maakt Stroombroek een geschikte locatie om het (beperkte) aanbod uit te breiden.

2.2 Vigerend planologisch regiem

Het uitbreidingsgebied voor het vakantiepark is opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied', zoals dat is vastgesteld op 29 september 2011 en nadien diverse malen is geactualiseerd met periodieke herzieningen. De laatste periodieke vijfde herziening is vastgesteld op 17 december 2020.

Buitengebied geconsolideerd 2019-11-07 (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0005.png"

In het bestemmingsplan 'Buitengebied' zoals dat geldt na de vijfde periodieke herziening is de locatie bestemd tot 'agrarisch' met de dubbelbestemmingen 'waarde archeologische verwachting 1' en 'waarde-archeologische verwachting 2'.

De locatie is voorts voorzien van de aanduiding 'wetgevingszone-wijzigingsgebied'. Dit betekent dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om de bestemming van dit gebied binnen de door de gemeenteraad aangegeven kaders te wijzigen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0006.png"

De beoogde ontsluiting t.b.v. de uitbreiding bevindt zich echter buiten het wijzigingsgebied. De gronden zijn ter plaatse bestemd tot 'sport'.

Uitsnede geldend bestemmingsplan Buitengebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) 

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0007.png"

De benodigde ontsluiting buiten het wijzigingsgebied en binnen de bestemming 'sport' maakt dat met een wijziging van het bestemmingsplan niet kan worden volstaan en dat voor de planologische medewerking een herziening van het bestemmingsplan benodigd is.

2.3 Toekomstige situatie

Landal Greenparks wil het bestaande vakantiepark Landal Stroombroek uitbreiden met 21 luxe, vrijstaande recreatiewoningen geschikt voor groepen van 8/12 of 16 personen. In dat kader is door VAB architecten een eerste verkavelingsplan opgesteld, waarin de positionering en verdeling van de verschillende typen recreatiewoningen is weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0008.png"

Uitsnede eerste verkavelingsschets (Bron: VAB Architecten)

Het uitbreidingsplan wordt aan twee zijden (noodoostzijde en noordwestzijde) omarmd door het bestaande park. De parkzijde kent een “groene rug” waar het uitbreidingsplan tegenaan ligt. De kant van de Lageweg (zuidwest) en de verderop gelegen N316 (zuidoost) heeft een meer open karakter in de vorm van akkers en weilanden en biedt een wijds uitzicht. De landschappelijke structuur van het bestaande park wordt versterkt met de nieuwe uitbreiding.

Het uitbreidingsplan is zodanig ingericht dat de 21 te bouwen recreatiewoningen zich direct aan de ontsluitingsweg bevinden. Deze ontsluitingsweg mondt uit in een tweetal pleinen waaraan zich elk 5 recreatiewoningen bevinden. Deze “pleinontsluiting” kenmerkt ook het bestaande park. De ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan de westzijde. Het uitbreidingsgebied is hiermee bereikbaar vanaf het bestaande park. Er is ter plaatse geen sprake van een directe ontsluiting op de openbare weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0009.png"

Bron: Erfontwikkelaar

Voor een goede aansluiting bij zowel het bestaande park als de omgeving, hebben de recreatiewoningen een landelijke architectuurstijl (archetype 'boerderij'). De drie te realiseren typen recreatiewoningen zijn familie van elkaar wat architectuur betreft. Dit zorgt voor eenheid en een rustig beeld op het park. De voorgestelde kavels van de recreatiewoningen zijn ruim van opzet en groen van karakter. De recreatiewoningen hebben net zoals de woningen op het bestaande park een rood-oranje pannendak en een lage goothoogte. Daar waar nodig bevindt zich in het dakvlak een dakraam of één of meerdere aangekapte dakkapellen, compleet passend binnen de landelijke architectuurstijl.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0010.png"

Typologieen recreatiewoningen. (Bron: VAB Architecten)

Parkeren vindt plaats haaks op de ontsluitingsweg direct naast het voetpad naar de woning. De 8-persoons recreatiewoningen hebben elk 2 parkeerplaatsen, de 12-persoons recreatiewoningen hebben elk 4 parkeerplaatsen en de 16-persoons recreatiewoning heeft 5 parkeerplaatsen.

Binnen alle recreatiewoningen wordt rekening gehouden met mindervalide gasten. Zo kent elk type één of meerdere minder valide slaapkamers met badkamer en suite.

De verkavelingsschets is door de erfontwikkelaar uitgewerkt in een ruimtelijk kwaliteitsplan. Zie hiervoor Bijlage 3 Ruimtelijk kwaliteitsplan (8 november 2021). Daarop wordt hieronder nader ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0011.png"

Ruimtelijk Kwaliteitsplan (Bron: Erfontwikkelaar)

Het terrein bestaat enerzijds uit recreatiewoningen met een tuin en anderzijds uit een wadi en een multifunctioneel veld. Het terrein wordt deels afgeschermd door middel van een houtsingel en deels zullen de woningen te zien zijn in de omgeving. Het is niet passend om binnen dit type landschap de bebouwing geheel te verstoppen achter het groen.

Het terrein wordt door middel van robuust groen ingepast. Dit komt tot uiting in een houtsingel tussen het bestaande en het nieuwe park en door twee houtsingels aan de zuid- en westzijde. Op het terrein zullen bomen geplant worden. Tussen de woningen wordt door middel van struweel een passende afscherming gerealiseerd. Het is niet wenselijk om door middel van schuttingen of andere bouwkundige elementen de tuinen af te schermen. Dit zou de gewenste landschappelijke uitstraling teniet doen.

Beplanting

Door het vormgeven van een sterke groenstructuur, wordt niet alleen de uitstraling van het park verbeterd, maar ontstaat ook meer ruimte voor flora en fauna waardoor de natuurwaarde wordt verhoogd. De groenstructuur vormt het raamwerk van het park. De wadi en het multifunctionele veld vormen de open ruimten daartussen. Er worden uitsluitend gebiedseigen soorten beplanting toegepast. De volgende drie structuurbepalende groenelementen worden gebruikt:

  • bomen
  • struweel
  • houtsingels

De uitwerking daarvan is opgenomen in Bijlage 3 Ruimtelijk kwaliteitsplan (8 november 2021)

De wadi zal ingezaaid worden met een bloemrijk mengsel. Het eindbeeld is hier een extensieve weide die 3x per jaar wordt gemaaid en verschraald.

Verharding

Het terrein bestaat uit drie soorten verharding:

  • hoofdweg
  • paden
  • parkeerplaatsen

De hoofdwegen zullen bestaan uit een elementverharding in gedekte kleurstelling. De verharding sluit aan op het landelijke karakter en de gekozen materialen van de woningen. Het hoofdpad wordt 3,5 m breed. Tevens wordt dit hoofdpad gebruikt door voetgangers waarbij auto's, fietsers en voetgangers elkaar veilig moeten kunnen passeren. De paden kunnen bestaan uit een elementverharding (gedekte kleurstelling). Een alternatief is een gestabiliseerde halfverharding of een combinatie. De parkeerplaatsen zullen bestaan uit grasbetonstenen of stabilisatiematten. Hier is voor gekozen om een groene uitstraling van het park te behouden. Via een onderhoudspad is de wadi en het park bereikbaar voor zwaar materieel.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid.

3.1 Rijksbeleid/wetgeving

3.1.1 Structuurvisie (SVIR)

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Deze structuurvisie uit 2012 vervangt de Nota Ruimte en heeft als credo Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. De nationale belangen hebben onder andere betrekking op bijvoorbeeld ruimte voor waterveiligheid, behoud van nationale unieke cultuurhistorische kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk van natuur. Ten behoeve van de bescherming van deze belangen zijn in het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor lagere overheden als provincie en gemeente. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt om een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving.

Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Het Rijk wil sturen op nationale belangen en daarbij richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

Drie Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding daarvoor waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

  • 1. bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
  • 2. stedelijke ontwikkeling: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

3.1.4 Besluit m.e.r.

In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is geregeld voor welke plannen en besluiten het maken van een milieu-effectrapport verplicht is en in welke gevallen de procedure van de m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd.

Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden, staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht.

Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het op voorhand niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1 'activiteiten' van onderdeel D en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen', dan geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Om te bepalen of er bij deze activiteiten sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen dient per geval een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Centraal in de m.e.r.-beoordelingsprocedure staat de notitie waarin beschreven staat of er (mogelijk) sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, de 'aanmeldingsnotitie'. Een m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd aan de hand van een aantal vaste criteria. Deze zijn vastgelegd in Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. Wanneer de aanmeldingsnotitie hierop aanhaakt, ziet deze er als volgt uit:

  • 1. Inleiding (wat is een m.e.r.-beoordeling en waarom wordt voor dit project een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd?);
  • 2. Kenmerken van het project;
  • 3. Plaats van het project;
  • 4. Kenmerken van de potentiële effecten

In de Wet milieubeheer is bepaald dat alleen voor besluiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als activiteiten uit onderdeel D mogelijk worden gemaakt in een plan (een zogenaamd 'kaderstellend plan voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten) dan geldt direct een (plan)m.e.r.-plicht. Een plan is namelijk direct m.e.r.-plichtig als het kaderstellend is voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten.

De drempelwaarden in kolom 2 'gevallen' zijn echter indicatief. Dit betekent dat ook onder de drempelwaarden moet worden nagegaan of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. In bepaalde gevallen kan een activiteit van kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dit moet worden beoordeeld via de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt zowel voor kaderstellende plannen als voor besluiten. Hiervoor is het Besluit m.e.r. op 6 juli 2017 gewijzigd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is nu geregeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r.. Op grond hiervan moet voor activiteiten die voorkomen in onderdeel D en die beneden de drempelwaarde vallen een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet door initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld en moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling kent in essentie twee mogelijke uitkomsten:

  • 1. het is uitgesloten dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn;
  • 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten; in dit geval is tenminste een m.e.r.-beoordeling nodig (bij besluiten) of een m.e.r. noodzakelijk (bij een plan).

Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan vrijwel dezelfde procedurele vereisten als voor de (formele) m.e.r.-beoordeling (artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wm).

Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, bestaat het resultaat van de vormvrije m.e.r.-beoordeling bij besluiten uit kolom 4 uit het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling met de procedureregels die boven de drempelwaarde gelden. Als de vormvrije m.e.r.-beoordeling als resultaat heeft dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten dan moet het bevoegd gezag dit in haar vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing toelichten. De beslissing wordt opgenomen in het ontwerp van het moederbesluit of -plan.

Bij kaderstellende plannen dient van alle activiteiten waarvoor kaders worden gesteld, te worden getoetst of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen zijn. Als bij tenminste één activiteit niet kan worden uitgesloten dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden, bestaat de verplichting om een plan-m.e.r. uit voeren. Voor plannen is de m.e.r.-beoordeling voor activiteiten onder de drempel in de D-lijst echt vormvrij. In het uiteindelijke moederbesluit moet de beslissing over het wel of niet uitvoeren van een m.e.r. worden gemotiveerd.

3.1.5 Toetsing

De Nationale Omgevingsvisie laat zich niet specifiek uit over lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de omgevingsvisie.

Omdat er planologisch 21 extra recreatiewoningen mogelijk worden gemaakt kan worden gesteld dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling, waarmee een beoordeling aan de ladder van duurzame verstedelijking noodzakelijk is. Door Van der Reest Advies is daarom een onderzoek naar marktbehoefte uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 10 Onderzoek Marktbehoefte Uitbreiding Vakantiepark Landal Stroombroek bij deze toelichting.

Hieronder wordt de ontwikkeling aan de hand van een aantal vragen getoetst aan de ladder.

Past het plan binnen de vigerende beleidskaders?

Het plan past binnen de beleidsuitgangspunten van het provinciale en gemeentelijke beleid "Vitale Vakantieparken". In dit beleid wordt ingezet op innovatie, diversificatie, doelgroepverbreding en duurzaamheid. Al deze elementen zijn in voorliggende ontwikkeling aan de orde. Verder past de ontwikkeling nagenoeg geheel binnen de wijzigingsbevoegdheid die in het bestemmingsplan Buitengebied is opgenomen ten behoeve van de voorziene toekomstige uitbreiding van vakantiepark Landal Stroombroek.

Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?

Door van der Reest Advies is een marktbehoefte onderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 10 Onderzoek Marktbehoefte Uitbreiding Vakantiepark Landal Stroombroek. Hieruit is naar voren gekomen dat Landal Stroombroek één van de parels van de gemeente Montferland is. Het is een vitaal vakantiepark dat al jaren mag rekenen op een goede en nog steeds groeiende belangstelling vanuit de markt. De hoge klantwaarderingen laten er geen twijfel over bestaan dat het een geliefd park is onder recreanten. Het park beschikt over 227 2-, 4- en 6-persoons huisjes. De meeste hiervan (221 huisjes) zijn voor 4 tot 6 personen. Hierdoor is er sprake van een eenzijdig aanbod. Zeker voor grotere gezelschappen ontbreekt het aan passende accommodaties. Ook elders in de Achterhoek is het segment grote(re) recreatiewoningen nog niet ruim vertegenwoordigd terwijl er wel veel vraag naar is. De aanwezigheid van faciliteiten voor jong en oud (zwembad, animatie, saunacomplex) maakt het park een geschikte locatie om het aanbod in dit segment uit te breiden.

Vakanties en korte verblijven in recreatiewoningen zijn populair. De recreatiewoning is in Nederland de populairste logiesaccommodatie. Aanbod (aantal recreatiewoningen) en vraag (aantal overnachtingen) nemen nog steeds toe, waarbij de vraag sneller stijgt dan het aanbod. De bezettingsgraad van recreatiewoningen groeit nog altijd en ligt landelijk op gemiddeld 45% en in Gelderland op 41,4% (CBS, 2019). Landal parken en vergelijkbare parken van andere grote spelers in de markt doen het aanzienlijk beter met bezettingsgraden van 75% en hoger.

CBS-cijfers tonen aan dat er nog marktruimte is. De vraagt stijgt sneller dan het aanbod. Daar komt bij dat de aanbod toename in het segment grote recreatiewoningen in de Achterhoek ruimschoots achter blijft bij de vraag waardoor scheefgroei dreigt en nieuwe doelgroepen aan deze regio voorbij zullen gaan, omdat ze er niet kunnen vinden wat ze zoeken. Juist parken als Landal Stroombroek, die nog ruimte hebben op eigen terrein, zijn bij uitstek geschikt om het gat in de markt op te vullen door een nieuw innovatief aanbod voor kansrijke doelgroepen.

Het Vitaliteitsonderzoek Verblijfsrecreatie Achterhoek bevestigt dat de bungalowsector een groeimarkt is. Tegelijkertijd waarschuwt het rapport voor het creëren van nieuw aanbod dat niets toevoegt aan het bestaande. De onderzoekers bepleiten om voortdurend te blijven investeren in innovatie en marktverbreding. Zowel verhuurorganisaties als overheden bepleiten diversificatie van het aanbod. Hierdoor wordt bijgedragen aan vitale vakantieparken dat overal in het land wordt bepleit, mede onder impuls van de rijksoverheid en de provincies.

Tenslotte wordt opgemerkt dat het bedrijf is berekend op de gewenste uitbreiding. De uitbreiding vindt plaats op daarvoor reeds gereserveerde ruimte aansluitend op het bestaande park. Logistiek, infrastructuur, voorzieningenniveau en de parkorganisatie zijn hierop berekend.

Ligt de stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? 

Voorliggende ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied. Voor recreatieterreinen geldt dat het functies betreffen die in het buitengebied horen. De gasten komen voor rust, natuur en ruimte. Overigens vindt de ontwikkeling in zijn geheel plaats binnen de wijzigingsbevoegdheid die in het bestemmingsplan Buitengebied is opgenomen ten behoeve van de voorziene toekomstige uitbreiding van vakantiepark Landal Stroombroek. Gezien vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, indachtig het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking, waarbij wordt gestreefd naar een optimale benutting van de ruimte.

Vormvrije m.e.r. beoordeling

Onder bijlage D van het besluit Milieueffectrapportage (lijst van activiteiten waarbij moet worden beoordeeld of sprake is van belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu) is onder D10 als activiteit opgenomen ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van a) skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen b) jachthavens c) vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen d) permanente kampeer- en caravanterreinen, of e) themaparken. Een plan dat een dergelijke activiteit mogelijk maakt is direct m.e.r.-plichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op:

  • 1. 250.000 bezoekers of meer per jaar;
  • 2. een oppervlakte van 25 hectare of meer;
  • 3. 100 ligplaatsen of meer of
  • 4. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.

Hoewel geen van de drempelwaarden hier wordt overschreden, bestaat er ook een mogelijkheid dat zich onder deze drempelwaarden al belangrijk nadelige effecten voor het milieu voordoen. In dat kader heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. Zie hiervoor paragraaf 4.1 Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling in de toelichting.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 is de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. Op 1 maart 2019 is deze in werking getreden. Met de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' constateert de provincie dat er grote grensoverschrijdende ontwikkelingen zijn die ook Gelderland raken. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, verdere verstedelijking in combinatie met krimp, toenemende mobiliteit op de weg en in de lucht, digitalisering, internationalisering. Gaaf Gelderland geeft het beeld op de toekomst.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. De provincie legt hierbij de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat – wordt hier richting aangegeven alsmede door vier 'spelregels' of 'Doe-principes' – doen, laten, zelf en samen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0012.png"

De 7 ambities zijn:

  • 1. Energietransitie: Van fossiel naar duurzaam: Gestreefd wordt naar een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten. De ambititie is een klimaatneutraal Gelderland in 2050. Dit moet worden bereikt door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie;
  • 2. Klimaatadaptatie: Omgaan met veranderend weer: Ingezet wordt vooral en eerst op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Prioriteit is dat Gelderland in 2050 optimaal beschermd is en kan meebewegen met het veranderend klimaat (klimaatbestendig);
  • 3. Circulaire economie: Sluiten van kringlopen: De ambitie is om de eerste afvalloze provincie van Nederland zijn. Er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden in een schone industrie. Om dit te bereiken is in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen in Gelderland met 50% teruggebracht;
  • 4. Biodiversiteit: Werken met de natuur: Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit. In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. Er wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. Er wordt blijvend gewerkt aan een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden;
  • 5. Bereikbaarheid: Duurzaam verbonden: Gestreefd wordt naar efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag. In 2050 is de groei van de mobiliteit op een slimme manier opgevangen en verplaatsen mensen in Gelderland zich veilig, snel, betaalbaar en klimaatneutraal. Het netwerk voor goederenvervoer in Gelderland is dan toegankelijk, duurzaam en klimaatneutraal;
  • 6. Een krachtige, duurzame topregio!: Gestreefd wordt naar een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat. Gelderland wil de concurrerende positie binnen het internationale stedelijke netwerk van Amsterdam, Brussel en Keulen verder versterken. Om onderscheidend te blijven, wordt in 2050 maximaal profijt gehaald uit de unieke combinatie van stedelijke en groene kwaliteiten. In 2050 zijn alle werklocaties in Gelderland duurzaam ingericht qua energie, klimaatbestendigheid en logistieke en productiestromen;
  • 7. Woon- en leefomgeving: Dynamisch, divers, duurzaam: Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. De ambitie is te voorzien in een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal.

Uit de focus en ambities voor een duurzaam, economisch krachtig en verbonden Gelderland volgen 'spelregels' of 'Doe-principes' voor de verdere inzet en uitvoering. De doe-principes zijn: doen, laten, zelf en samen.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De Omgevingsverordening is met de nieuwe omgevingsvisie Gaaf Gelderland opgeschoond, aangepast en aangevuld. Met de omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan op deze regels afstemmen.

In voorliggend geval is één artikel uit de omgevingsverordening relevant. Het gaat om artikel 2.5: "instructieregel bestemmingsplan bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen".

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0013.png"

In voorliggend geval gaat het om de uitbreiding van vakantiepark Landal Stroombroek. De nieuwe recreatieverblijven wordt bedrijfsmatig geëxploiteerd. Enerzijds is dit duurzaam verzekerd door de aangetoonde markbehoefte voor de betreffende uitbreiding. Daarnaast is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen dat een bedrijfsmatige exploitatie verplicht is.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Montferland

De structuurvisie Montferland is vastgesteld op 23 april 2009. Landal Stroombroek is hierin gelegen binnen gebied dat is voorzien van de aanduiding 'concentratie recreatie'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0014.png"  afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0015.png"

Uitsnede structuurvisie gemeeente Montferland

Voor Montferland is toerisme van economisch belang. Ontwikkeling en groei van toerisme is een belangrijk uitgangspunt van beleid. In principe wordt geen ontwikkelingsruimte geboden binnen waardevolle natuurlijke en landschappelijke eenheden en ook binnen het landbouwontwikkelingsgebied wordt terughoudend omgegaan met het toestaan van nieuwe recreatieve functies. Verblijfsrecreatiebedrijven moeten zoveel mogelijk ruimtelijk geconcentreerd worden om versnippering te voorkomen en voldoende kritische massa te creëren voor beleving en gezonde exploitaties. Vanuit de exploitatie van horeca, detailhandel en dagrecreatie is het wenselijk om zo veel mogelijk te bundelen bij bestaande kernen of concentratiegebieden (onder andere Stroombroek).

Stroombroek en omgeving vormt een recreatieconcentratiegebied dat verder kan worden uitgebouwd. In dit gebied zijn diverse dagrecreatieve voorzieningen aanwezig, zoals de recreatieplas met strand en speel- en ligweiden, Palestra, het kinderattractiepark Land van Jan Klaassen, het outdoorcentrum en de kabelwaterskibaan. Ook Landal Green parks Stroombroek maakt onderdeel uit van dit recreatieconcentratiegebied. Bundeling heeft de voorkeur, gelet op het Toeristisch Recreatief Ontwikkelingsplan, waarin ruimtelijke concentratie van recreatiebedrijven wordt nagestreefd. Aan de noordzijde van Stroombroek streeft de gemeente naar realisering van de ecologische verbindingszone in de richting van Slangenburg.

3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) 'Van nieuwe noabers en brood op de plank' is in 2008 opgesteld voor de gemeenten Montferland, Doetinchem en Oude IJsselstreek. Uitgangspunt van deze landschapsvisie is dat het landschap het product is van ontwikkelingen in de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen. Deze visie richt zich dan ook op het meebewegen met deze ontwikkelingen om het landschap te versterken als economisch kapitaalgoed, een plek waar mensen zich thuis voelen en een plek waar flora en fauna zich kunnen ontwikkelen. In het landschapsontwikkelingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende deelgebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0016.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0017.png"

Bungalowpark Landal Stroombroek is gelegen in deelgebied 1 'rondom de Montferlandse berg' en valt daarbij binnen de ring van broekgebieden.

De broeken zijn door hun natte karakter voornamelijk in gebruik als grasland. Daarnaast ligt het belangrijkste recreatiegebied in deze zone, het Stroombroek. De broeklanden zijn het gebied van de elzensingels en onder iets minder natte omstandigheden, de meidoornheggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0018.png"

Ter plaatse van Stroombroek is verdichting met landschapselementen gewenst. De locatie ligt aan de rand van de ecologische verbindingszone. Met een robuuste inpassing door middel van gebiedseigen beplanting wordt bijgedragen aan de doelen uit het lanschapsontwikkelingplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0019.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0020.png"

3.3.3 Beleid recreatie en toerisme

Op 17 december 2020 heeft de gemeenteraad van Montferland het nieuwe beleid op het gebied van recreatie en toerisme in de gemeente Montferland vastgesteld. Het gaat om de beleidsnotitie "Mooi Montferland, De groene poort van Nederland". In de beleidsnotitie worden de kwaliteiten van de gemeente op recreatief en toeristisch vlak uitgelicht, maar wordt ook aangegeven dat nog niet het maximale potentieel wordt benut. Met de rijke cultuur en historie, prachtige natuur en landschappen en enthousiaste ondernemers, wil de gemeente Montferland als recreatiegebied prominenter op de kaart krijgen. Dat niet alleen voor de ondernemers, maar juist ook voor de inwoners. De vraag die voorligt is: hoe bevorderen we recreatie en toerisme en verliezen we niet de kwaliteit van het fysieke en sociale landschap uit het oog? Dit heeft geresulteerd in de volgende visie:

"Mooi Montferland – de Groene Poort van Nederland". Uniek in haar diversiteit, natuur, (cultuur)historie en ligging. De gemeente kijkt daarbij, net als de toerist, voorbij de gemeentegrenzen en zelfs voorbij landsgrenzen. Eén van de kernwaarden uit de missie en visie van gemeente Montferland is vrijetijdsbesteding. De vrijetijdssector levert een belangrijke bijdrage aan de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid in de gemeente. De gemeente wil deze bijdrage op duurzame wijze vergroten door zich primair te richten op dagrecreatie, met binnen het huidige aanbod de focus op drie pijlers: Bergherbos, Stroombroek en Kasteel Huis Bergh. Zowel voor de eigen inwoners als voor bezoekers aan de gemeente. Gastheerschap moet passen bij de huidige vraag, waarbij de nadruk ligt op gastheerschap door ondernemers op locatie en digitale gastvrijheid. Ondernemers en gemeente werken samen als partners, met ieder een eigen rol en functie.

De bovengenoemde visie heeft als uiteindelijke doel om de bijdrage van recreatie en toerisme aan de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid in de gemeente op duurzame wijze te vergroten. Dit betekent:

  • een stijging in de toeristische overnachtingen;
  • meer banen in de recreatieve en toeristische sector;
  • meer vestigingen in de recreatieve en toeristische sector.

Dit alles moet in balans zijn en blijven met de draagkracht van de fysieke en sociale omgeving.

Recreatiegebied Stroombroek

In het beleid wordt specifiek ingegaan op Recreatiegebied Stroombroek. Het recreatiegebied is voor Montferland toeristisch gezien van groot belang. Het gebied bevat dagrecreatie op en om het water, diverse verblijfsmogelijkheden, een wellnesscentrum en een kinderpretpark. Aangezien voor Montferland Landal Stroombroek het grootste aantal overnachtingen voor haar rekening neemt, is het van groot belang dat dit park vitaal blijft. In de uitvoeringsagenda wordt daarom opgenomen dat gezamenlijk met Landal wordt bekeken wat de ontwikkelingsmogelijkheden in Stroombroek zijn.

Toetsing

Met de voorgenomen uitbreiding wordt ingezet op innovatie, diversificatie, doelgroepverbreding en een duurzame continuering van de bedrijfsvoering met als gevolg een stijging van de toeristische overnachtingen en bestedingen. Hiermee draagt het park duurzaam bij aan de werkgelegenheid in de recreatieve sector en daarnaast aan een goede concurrentiepositie van de Achterhoek als vakantieregio voor diverse doelgroepen. Er wordt uitvoering gegeven aan een reeds voorziene uitbreiding van het park ter plaatse van het hiervoor aangeduide wijzigingsgebied in het bestemmingsplan Buitengebied. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit op de doelstelling zoals verwoord in het beleid recreatie en toerisme van de gemeente Montferland.

3.3.4 Bestemmingsplan 'Buitengebied'

Zoals reeds aangegeven in paragraaf 2.2 is in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die uitbreiding van het bestaande bungalowpark Landal Stroombroek mogelijk maakt. De locatie is voorzien van de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone-wijzigingsgebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0021.png"

Dit betekent dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om de bestemming van dit gebied binnen de door de gemeenteraad aangegeven kaders te wijzigen. In artikel 3.6 van het bestemmingsplan 'Buitengebied' is de onderstaande wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0022.png"

Toetsing

In de wijzigingsbevoegdheid die in het bestemmingsplan 'Buitengebied' is opgenomen voor de uitbreiding van Stroombroek, is weergegeven onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders bevoegd zijn om medewerking te verlenen aan het uitbreidingsplan.

Ad a: de totale oppervlakte aan gebouwen mag niet meer bedragen dan 3.000 m²

Het plan voorziet uitsluitend in de realisatie van nieuwe recreatiewoningen en in beginsel met de volgende verdeling naar typen:

  • 8-persoons recreatiewoningen: 13 stuks a 102 m² = 1.326 m²
  • 12-persoons recreatiewoningen: 7 stuks a 135 m² = 945 m²
  • 16-persoons recreatiewoningen: 1 stuk a 165 m² = 165 m²

Totaal = 2.436 m²

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0023.png"

Het plan voorziet echter ook in enige flexibiliteitsbepalingen. Zo kan ook in beperkte mate worden afgeweken van de verdeling in typen woningen, met dien verstande dat het aantal 8-persoons recreatiewoningen ten minste 10, het aantal 12-persoons recreatiewoningen ten minste 5 en het aantal 16-persoons recreatiewoningen ten minste 1 bedraagt. Inclusief de 10% ontheffingsmogelijkheid neemt de oppervlakte aan gebouwen in het uiterste scenario toe tot 2.953 m². De totale oppervlakte aan gebouwen bedraagt daarmee minder dan 3.000 m².

Ad b: -

 

Ad c: de recreatiewoningen dienen bedrijfsmatig te worden geexploiteerd

In voorliggend geval gaat het om de uitbreiding van het al vitale vakantiepark Landal Stroombroek. De nieuwe recreatieverblijven worden bedrijfsmatig geëxploiteerd. De bedrijfsmatige verhuur via Landal is duurzaam verzekerd door de aangetoonde markbehoefte voor de betreffende uitbreiding.

Ad d: de behoefte aan deze recreatiewoningen dient door middel van een recent regionaal marktonderzoek te zijn aangetoond

Door van der Reest Advies is een marktbehoefte onderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 10 Onderzoek Marktbehoefte Uitbreiding Vakantiepark Landal Stroombroek. Met de voorgenomen uitbreiding wordt ingezet op innovatie, diversificatie, doelgroepverbreding en een duurzame continuering van de bedrijfsvoering. Hiermee draagt het vakantiepark bij aan een goede concurrentiepositie van Gelderland en specifiek de Achterhoek als vakantieregio voor diverse doelgroepen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling goed aansluit op de beleidsdoelstellingen op de verschillende overheidsniveaus.

Ad e. het terrein landschappelijk wordt ingepast

Door 'Erfontwikkelaar' is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarin rekening is gehouden met de gebiedskenmerken van het aanwezige landschapstype. De uitvoering daarvan wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. De landschappelijke inpassing is daarmee bestuursrechtelijk handhaafbaar. Het plan is opgenomen als Bijlage 3 Ruimtelijk kwaliteitsplan (8 november 2021) bij deze toelichting.

Ad f. andere functies in de omgeving dienen door de uitbreiding niet te worden belemmerd

Van belemmering van andere functies is geen sprake. In hoofdstuk 4 van deze toelichting wordt hier uitgebreid op ingegaan.

Ad g. de maatvoering voor een recreatiewoning inclusief bergruimte zoals opgenomen in artikel 19, lid 19.2 ter plaatse van het hier bedoelde wijzigingsgebied niet van toepassing is.

In dit bestemmimngsplan wordt een passende bouwregeling opgenomen voor de te realiseren accommodaties.

Gezien vorenstaande kan worden gesteld dat aan alle voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan. Alleen de ontsluiting van de uitbreiding op het bestaande park vindt plaats over gronden die buiten het wijzigingsgebied vallen en een sportbestemming hebben. De ontwikkeling als geheel past hierdoor niet geheel binnen de wijzigingsbevoegdheid. Om deze reden wordt een reguliere bestemmingsplanprocedure gevolgd.

3.3.5 Beeldkwaliteitsplan Buitengebied

Het beeldkwaliteitsplan (vastgesteld op 22 april 2010) is een reactie van de gemeente op de veranderingen in het buitengebied zoals het stoppen van agrarische bedrijven waarna vervolgens sloop van de stallen en nieuwbouw van woningen plaatsvindt. De gemeente wil deze ontwikkelingen begeleiden zodat deze zich goed voegen in het aanwezige landschap. Uitgangspunt is dat daarbij zorgvuldig wordt gekeken naar het omliggende landschap. Vanuit een analyse van deze landschappelijke context moet een nieuwe situatie worden ontworpen, die goed aansluit op de specifieke kenmerken van het ter plaatse karakteristieke landschap.

In het beeldkwaliteitsplan Buitengebied is het landschap van de gemeente onderverdeeld naar diverse landschapstypen. De locatie Stroombroek maakt daarin deel uit van het broekontginningen landschap-IJsselvallei (lichtblauw op onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0024.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0025.png"

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke en milieutechnische haalbaarheid

Een nieuwe ontwikkeling die met een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt moet zien op een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop zijn in het kader van de hier voorgenomen ontwikkeling de nodige onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken hebben uitgewezen dat de gevraagde ontwikkeling niet leidt tot ruimtelijke, milieutechnische hetzij andere belemmeringen welke aan verdere planlogische medewerking in de weg staan. Er is ook een vorm-vrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Dat wil zeggen, de toets aan de wijzigingsvoorwaarden en de beoordeling of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit kader is door de initiatiefnemer een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing aangeleverd met de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken naar bodem, archeologie, externe veiligheid en flora en fauna, maar ook een vorm-vrije m.e.r.-beoordeling. De ruimtelijke onderbouwing is opgenomen in Bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing Uitbreiding Landal Stroombroek, Braamt 23 juni 2021. De vorm-vrije m.e.r-beoordeling is opgenomen in Bijlage 11 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Landal Stroombroek Braamt (22-06-2021).

In de onderstaande subparagrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten vorm-vrije m.e.r.-beoordeling, bodem, water, archeologie, cultuurhistorie, flora en fauna, externe veiligheid, geluid, geur, luchtkwaliteit, milieuzonering en verkeer en parkeren.

Zowel de ingediende ruimtelijke onderbouwing, de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling als de bijbehorende onderzoeken zijn als bijlagen bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. De toets wijst uit dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling op de locatie uitvoerbaar is.

4.1 Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling

De ontwikkeling die met die plan mogelijk wordt gemaakt leidt niet tot een directe m.e.r. plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Ook is de ontwikkeling die met dit plan mogelijk wordt gemaakt niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit mer, waarmee direct een m.e.r.-plicht zou ontstaan.

In paragraaf 3.1.4 is echter aangegeven dat een m.e.r.-plicht of een formele m.e.r.-beoordelingsplicht (bij besluiten) ook kan ontstaan wanneer uit een vorm-vrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige effecten voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten.

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het plan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen en is er na een bestemmingsplan geen m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit meer nodig, dan is er sprake van een bestemmingsplan in kolom 4 (besluiten) en voldoet het aan de definitie van het besluit.

Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Nu het project is te rangschikken onder activiteit D 10 van het besluit Milieueffectrapportage (lijst van activiteiten waarbij moet worden beoordeeld of sprake is van belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu) heeft de initiatiefnemer een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) opgesteld aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0026.png"

De aanmeldnotitie zoals opgenomen in Bijlage 11 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Landal Stroombroek Braamt (22-06-2021) is beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek. Deze heeft op 23 maart 2021 aan de hand van de uitgebreide beschrijving van de milieueffecten in de concept aanmeldnotitie geoordeeld dat belangrijk nadelige effecten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De beoordeling is opgenomen in Bijlage 13 Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar deze aanmeldnotitie.

Burgemeester en wethouders hebben in aanvulling op het besluit van 18 mei 2021 op 6 juli 2021 met een verwijziging naar de inhoudelijke overwegingen zoals opgenomen in de aanmeldnotitie en zoals onderschreven door de omgevingsdienst in de bovengenoemde Bijlage 13 Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek, formeel besloten dat in het kader van dit plan geen m.e.r. procedure behoeft te worden doorlopen. Belangrijke nadelige effecten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De volgende motivering ligt aan dit besluit ten grondslag.

  • 1. de locatiekenmerken staan de ontwikkeling niet in de weg;
  • 2. de ontwikkeling legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen;
  • 3. de productie van afvalstoffen blijft beperkt tot met huishoudelijk afval vergelijkbare afvalstoffen;
  • 4. de ontwikkeling leidt niet tot significante verontreiniging of hinder;
  • 5. de ontwikkeling leidt niet tot risico's voor de omgeving;
  • 6. cumulatie met andere activiteiten is niet aan de orde.

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van de vaststelling van dit plan kunnen worden uitgesloten.

4.2 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de kwaliteit van de bodem het toekomstige gebruik mogelijk maakt. Om hier inzicht in te verkrijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

Door Rouwmaat is een verkennend bodemonderzoek verricht binnen het plangebied. Zie hiervoor Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek Het Stroombroek (ong.) Braamt. Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd:

  • In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden;
  • De aangetroffen licht verhoogde gehalten in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik;
  • De hypothese "De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd" wordt grotendeels aangenomen.

De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting.

Conclusie

Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.3 Water

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

Waterschap Rijn en IJssel

Het Waterschap Rijn en IJssel heeft in het waterbeheerplan 2016–2021 haar visie op het waterbeheer en het watersysteem beschreven. Dit waterbeheerplan is opgesteld in samenwerking met de waterschappen Vechtstromen, Reest en Wierde, Rijn en IJssel en Groot Salland. In het waterbeheerplan laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten het waterschap in de samenwerking met partners wil leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden:

  • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water;
  • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water;
  • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water;
  • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater;
  • Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.

Gemeente Montferland

Gemeente Montferland beschikt over een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Het GRP geeft invulling aan diverse ontwikkelingen op het gebied van water, zoals de nieuwe gemeentelijke zorgtaken voor afstromend hemelwater en grondwateroverlast, duurzaam omgaan met hemelwater en klimaatontwikkelingen. Het GRP wordt beschouwd als het Beleidsplan van Gemeente Montferland over haar taken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater.

Het GRP heeft de volgende doelen:

  • Voldoen aan de planverplichting uit de Wet milieubeheer;
  • Invulling geven aan de zorgtaken voor afvalwater, afstromend hemelwater en grondwateroverlast;
  • Afstemmen van het rioleringsbeleid op landelijke ontwikkelingen, nieuwe wet- en regelgeving en relevante beleidsplannen;

Inzameling van afvalwater:

Gemeenten zijn verplicht om huishoudelijk afvalwater in te zamelen. De Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om voor specifieke situaties ontheffing van deze zorgplicht aan te vragen bij de provincie. Dat geldt bijvoorbeeld voor afgelegen percelen in het buitengebied. Op percelen waarvoor de gemeente een ontheffing van de zorgplicht heeft, zijn de bewoners zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hun afvalwater. De gemeente bepaalt per geval welke voorziening het meest doelmatig is: riolering, drukriolering B, of een zelfstandig systeem (IBA).

Hemelwater:

Op particulier terrein zijn de perceelseigenaren verantwoordelijk voor een deugdelijke inzameling en verwerking van hemelwater. Gemeenten zorgen alleen voor het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater, als dit doelmatiger is en als redelijkerwijs niet van particulieren kan worden verwacht dat zij het hemelwater zelf verwerken. Woningen en bedrijven in het buitengebied zijn aangesloten op drukriolering of een IBA. Deze systemen zijn niet geschikt voor het verwerken of transporteren van hemelwater. In het buitengebied is bovendien voldoende ruimte om het hemelwater op eigen terrein te verwerken of af te voeren naar aangrenzende sloten of watergangen.

Nieuwbouwplannen mogen niet leiden tot een toename van:

  • het op (gemengde) riolering aangesloten verhard oppervlak;
  • de vuilemissie naar oppervlaktewater;
  • de huidige afvoeren naar oppervlaktewater.

Hemelwater moet zo veel mogelijk op de percelen zelf worden verwerkt. Dit heeft de volgende voordelen:

  • er zijn geen dure gemeentelijke voorzieningen nodig om dit hemelwater in te zamelen en te verwerken;
  • er zijn geen extra emissies naar het oppervlaktewater.

Perceeleigenaren kunnen hemelwater op eigen terrein verwerken als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Zo moet er op de percelen voldoende ruimte aanwezig zijn om bijvoorbeeld een infiltratievoorziening aan te leggen. Bovendien moet de bodem voldoende waterdoorlatend zijn.

Waterparagraaf

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen, waarin verslag wordt gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Watertoets

Voor de in dit wijzigingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling worden de effecten van de ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema's worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en dienen vervolgens, indien relevant, nader te worden toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0027.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0028.png"

Toelichting per relevant waterhuishoudkundig thema

Het plan leidt tot een toename van het verhard oppervlak. De 21 recreatiewoningen beslaan in de nu geplande verdeling in woningtypen met elkaar een oppervlakte van 2.436 m². Met de mogelijk gemaakte flexibiliteit in het plan kan dit oppervlak toenemen tot maximaal 2.953 m². Daarnaast zal rondom de recreatiewoningen nog enige verharding worden aangelegd en komt er een ontsluitingsweg met aanliggende parkeerplekken. De oppervlakte daarvan bedraagt bij elkaar ongeveer 2.615 m². De hoeveelheid en soort verharding is op dit moment nog niet volledig bekend. De (half)verharding zal voor een groot deel waterdoorlatend zijn.

Hemelwater wordt zoveel mogelijk geïnfiltreerd binnen het plangebied. Daarnaast wordt er aan de zuidzijde een vijver/wadi gegraven ten behoeve van retentie.

De 21 recreatiewoningen worden gerealiseerd met bijbehorende vervuilingseenheden. Deze worden aangesloten op het de bestaande rioleringsysteem van het park Landal Stroombroek.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0029.png"

Omcirkeld is de locatie van het gemeentelijke rioolgemaal en de gemeentelijke rioolpersleiding. Adviesbureau Stad Land Water heeft namens de gemeente gecontroleerd of het bestaande stelsel de uitbreiding van het park met 21 huisjes (voor in totaal 204 personen) aankan. Hieruit is gebleken dat dit geen probleem vormt voor de capaciteit van dit rioolgemaal of de persleiding. Er behoeven geen aanpassingen aan het rioolstelsel plaats te vinden om deze uitbreiding mogelijk te maken.

Reactie waterschap 

Het waterschap heeft gereageerd op het plan en de watertoetstabel en aangeven dat hoewel nog niet exact bekend is hoeveel verharding er komt, het wel mogelijk is om voldoende berging te realiseren. Voor deze locatie geldt dat er 40 mm waterberging gerealiseerd dient te worden voor het aan te leggen verharde oppervlak. Voor de maximale situatie met ca. 5.568 m² aan verhard oppervlak (max 2.953 m² voor de woningen en max. 2.615 m² voor de verharding) resulteert dat in 222,7 m³ waterberging. In de praktijk zal bepaalde verharding ook waterdoorlatend worden uitgevoerd. De wadi/vijver zal in ieder geval over voldoende bergingscapaciteit gaan beschikken, afgestemd op de daadwerkelijke oppervlakte aan verharding.

Conclusie

Het aspect water staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.4 Archeologie

Op basis van de Erfgoedwet is sprake van een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer van een project verplicht worden om hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

De gemeente Montferland heeft de archeologische verwachtingswaarden van gronden overeenkomstig de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart verwerkt in dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan 'Buitengebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0030.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0031.png"

Uitsnede archeologische waarden en verwachtingen kaart

Binnen het plangebied gelden op grond van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' de dubbelbestemmingen 'Waarde-Archeologische verwachting 1' en 'Waarde-Archeologische verwachting 2'. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Laagland Archeologie een Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in Bijlage 6 Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Stroombroek, Braamt augustus 2021 bij deze toelichting.

Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen met als centrale vraag of en zo ja, welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.

Op basis van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor de perioden vanaf het Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. De brede verwachting voor de perioden vanaf het Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd is gebaseerd op het feit dat de zandgronden in principe geschikt zijn voor menselijke bewoning maar dat het mogelijk aantrekkelijker was om op hogere gronden te vestigen. Bodemkundig ligt het plangebied voornamelijk binnen veldpodzolgronden. Deze gronden zijn relatief laaggelegen en tamelijk vochtig. In het zuiden van het plangebied komen ook vlakvaaggronden voor, deze gronden komen vaak voor in uitgestoven vlakten of laagten. In het onderzoeksgebied zijn vanaf de Vroege Middeleeuwen sporadisch vondsten en/of fenomenen, zoals een plaggendek aanwezig die duiden op bewoning. Deze gronden en fenomenen zijn voornamelijk aangetroffen op terreinen die net iets hoger dan het plangebied liggen. Dit verwachtingsmodel is getoetst en aangevuld door middel van verkennend booronderzoek.

Het verkennend booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat er sprake is van een AC-profiel, in verspoelde dekzanden met roestvlekken direct onder de A-horizont, die karakteristiek zijn voor een nattere waterhuishouding. Plaatselijk zijn enkele diepere verstoringen aangetroffen. Verder zijn in het plangebied afgezien van enkele baksteenspikkels in de bovenste 35 cm -mv (A-horizont) geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.

Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Conclusie

Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.5 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden", dient te bevatten.

Op onderstaande afbeelding is de planlocatie weergegeven op de cultuurhistorische kenmerkenkaart. Hieruit blijkt dat het plangebied voor het overgrote deel is gelegen binnen 'de broeken in het zandgebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0032.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0033.png"

Uitsnede uit de cultuurhistorische kenmerkenkaart

Op basis van de cultuurhistorische waarderingskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een gemiddelde waardering. Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0034.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0035.png"

Uitsnede uit de cultuurhistorische waarderingskaart

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.6 Flora en fauna

Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

Gebiedsbescherming Natura 2000 en GNN

Natura 2000

In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ.

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op circa 10 kilometer van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0036.png"

Om de stikstofdepositie van de voorgenomen uitbreiding op Natura 2000-gebieden te bepalen zijn twee stikstofberekeningen met de AERIUS-calculator gemaakt, namelijk: een berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase en als gevolg van de gebruiksfase. De rapportage is opgenomen in Bijlage 7 AERIUS berekening Braamt, Landal Stroombroek met bijlagen 22-06-2021 bij deze toelichting.

Uit de berekening (beoordeeld en onderschreven door de Omgevingsdienst Achterhoek, zoals opgenomen in Bijlage 13 Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek) is naar voren gekomen dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Er dan ook geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)

Het Nederlands natuurnetwerk (NNN) (voorheen: EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is als Gelders Natuurnetwerk (GNN) met bijbehorende Groene ontwikkelingszone (GO) in het provinciale beleid doorvertaald.

Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als GO liggen op circa 490 meter van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0037.png"

De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. De voorgenomen activiteit heeft voor die gebieden dan ook geen wettelijke consequenties.

Soortenbescherming

Door Natuurbank Overijssel is een quickscan flora en fauna in het plangebied uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 8 Quickscan natuurwaarden Stroombroek Braamt bij deze toelichting. Het plangebied is op 19 januari 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied in de huidige situatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een vaste rustplaats en nestelen er vogels.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen en amfibieën niet aangetast. Wel wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogel- en grondgebonden zoogdierensoorten aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties omdat deze functie niet beschermd is.

Conclusie 

Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Op het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is daarom noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden risico en groepsrisico.

De gemeente Montferland heeft geen eigen externe veiligheidsvisie opgesteld waaraan getoetst kan worden.

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (zwarte stippel omlijning) en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0038.png"

Uitsnede uit de risicokaart (Bron: risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;

Buiten het gebied dat op de kaartuitsnede is weergeven bevindt zich ten noorden op circa 1,4 kilometer de Rijksweg A18 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Omdat over deze weg geen zeer toxische stoffen worden getransporteerd geeft deze weg geen potentiele belemmeringen voor het uitbreidingsplan.

Ten noorden van het plangebied, ligt onder het bestaande recreatiepark, een buisleiding voor gas van de Nederlandse Gasunie B.V. Gelet op de korte afstand en de toename van het aantal personen binnen het plangebied als gevolg van dit uitbreidingsplan is een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd met behulp van het programma CAROLA. Hiermee kan worden bepaald of er wordt voldaan aan de risiconormen voor de Externe Veiligheid, zoals die zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 9 Kwantitatieve risicoanalyse, Landal Stroombroek, Braamt (mei 2021) bij deze toelichting.

Bij de berekening is uitgegaan van een maximale toename van 204 personen binnen het projectgebied. Hiernaast is een inventarisatie gemaakt van de verschillende functies in de nabijheid van het projectgebied. Voor deze verschillende functies is de bevolkingsdichtheid (personen/ha) gehanteerd zoals geïnventariseerd door de populatieservice. Het gaat hierbij voornamelijk om woon-, werk- en recreatielocaties in Braamt.

Het groepsrisico is na invulling van het plan voor de betreffende gasleidingen lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde: de uitvoering van het project is op basis het CAROLA-onderzoek in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar. Er is conform artikel 12 van het Bevb echter wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk omdat er wel dodelijke slachtoffers kunnen vallen bij een calamiteit met de buisleiding. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient te worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. Op grond van artikel 12, lid 2 Bevb moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding. De Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland heeft geadviseerd over het bestemmingsplan.

Beperkte verantwoording groepsrisico

Zoals hiervoor reeds aangegeven is het groepsrisico kleiner dan 0,1 van de oriëntatiewaarde. Binnen het plangebied kan een eventuele ramp goed worden bestreden en beperkt door de brandweer.

Bereikbaarheid hulpdiensten: Landal Stroombroek is goed voor de hulpverleningsdiensten te bereiken. Het plangebied zelf kan zowel via de nieuwe ontsluiting op het park worden bereikt als via de Lageweg.

Mogelijkheden voor de rampenbestrijding: De mogelijkheden van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid zijn afhankelijk van de maatgevende scenario's die zich voor kunnen doen bij een incident. Voor hogedruk aardgasleidingen is dat een fakkelbrand. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hoge warmtestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers vallen, en schade en brand in de omgeving ontstaan.

In geval van een fakkelbrand zal de bestrijding vooral gericht zijn op het beperken van de warmtestralingseffecten op nabijgelegen gebouwen totdat de gastoevoer is gesloten door de leidingbeheerder.

Regionaal Crisisplan: De Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland (VNOG) heeft voor rampenbestrijding het Regionaal Crisisplan VNOG 2020-2023 opgesteld. In het crisisplan is vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk is tijdens een crisis en hoe de informatielijnen lopen. Dit plan beschrijft de hoofdstructuur, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van functionarissen en instanties ten tijde van een crisis.

Bluswatervoorziening: De bluswatervoorziening op het terrein zelf is voldoende aanwezig. Aan het begin van de Landweerswal is een ondergrondse brandkraan aanwezig en op het terrein zijn twee geboorde putten aanwezig (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0039.png"

Locatie brandkraan en putten (Bron: Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland ) 

Zelfredzaamheid: Het plangebied valt binnen het bereik van de bestaande WAS-palen. Het ministerie gaat op termijn deze wijze van alarmering in Nederland gefaseerd beëindigen. De zelfredzaamheid van de burgers binnen de gemeente kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Hierop wordt door de overheid de komende jaren verder geïnvesteerd. Burgers zullen echter zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: http://www.crisis.nl/nl-alert).

Opgemerkt wordt dat het plangebied in meerdere richtingen te ontvluchten is namelijk via de Lageweg in zuidwestelijke richting, in noordelijke richting via de wegenstructuur van het bestaande park en in oostelijke richting via de weilanden richting de Wijnbergseweg.

De zelfredzaamheid is afhankelijk van de situatie, zie ook onderstaande afbeelding. Kijkend naar de functie van het plangebied (wonen) en de ligging ervan tot de buisleidingen (zowel op korte afstand en grotere afstand) is het advies om bij een fakkelbrand te vluchten en/of dekking te zoeken wanneer er op korte afstand een fakkelbrand plaatsvind. Wanneer op grotere afstand een fakkelbrand plaatsvindt, dan is het advies om binnen te blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0040.png"

Handelingsperspectief fakkelbrand (Bron: Scenarioboek externe veiligheid )

Advies Veiligheidsregio Noord-Oost Gelderland

Op grond van artikel 12 van het Bevb, lid 2 dient de Veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding.

De Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland heeft op 28 mei 2021 geadviseerd over het bestemmingsplan. Er wordt puntsgewijs ingegaan op de bereikbaarheid van hulpdiensten, de bluswatervoorziening en zelfredzaamheid. Het advies is opgenomen in Bijlage 12 Advies VNOG EV Landal Stroombroek B.V. Landweerswal 2 (15-06-21)

In het advies gaat de VNOG aanvullend in op het aspect 'zelfredzaamheid-Natuurbrandrisico'. De VNOG stelt dat de kans op een brand, met name na een langdurige periode van droogte reeel aanwezig is. In dat kader wordt geadviseerd.

  • een variatie aan gebiedseigen bloeiende soorten loofhout en/of loofstruiken te gebruiken, i.v.m. ziekte en plagen en slechte brandbaarheid;
  • geen coniferen of heesters met glimmend blad [hulst, laurierstruik, etc] te gebruiken. Deze zijn uiterst brandbaar;
  • bij gebruik van kruidachtige rekening te houden met droogte en brandbaarheid van de kruidachtige.

Conclusie

Het project past voor wat betreft het aspect externe veiligheid binnen een 'goede ruimtelijke ordening' en is in overeenstemming met wet- en regelgeving dienaangaande.

4.8 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

In voorliggend geval worden recreatiewoningen gerealiseerd. Recreatieverblijven zijn niet geluidsgevoelig in het kader van de Wgh. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit meermaals bevestigd. Wel moet worden nagegaan of er ter plaatse van de accommodaties sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De woningen worden gerealiseerd aan de zuidzijde van het bestaande vakantiepark. De dichtstbijzijnde weg is de Lageweg. Dit betreft een doodlopende weg voor uitsluitend bestemmingsverkeer. Op circa 190 meter ten oosten van het plangebied ligt de N316. Dit is een drukke weg met een wettelijke geluidzone van 250 meter. Een deel van het plangebied ligt hierbinnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0041.png"

De afstand is echter relatief groot en er is sprake van tussenliggende bebouwing die een afschermende werking heeft. Gelet hierop wordt ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar verblijfsklimaat verwacht. Daarnaast kan bij de bouw van de recreatiewoningen rekening worden gehouden met maatregelen voor eventuele geluidshinder van de N316.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.9 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv omvat één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 Ou/m³ mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 Ou/m³. Binnen een concentratiegebied (waarbinnen ook de gemeente Montferland is gelegen) gelden waarden van 3 resp. 14 Ou/m³.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dienen bij diercategorieën waarvoor geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) de volgende afstanden te worden aangehouden t.o.v. een geurgevoelig object:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0042.png"

Het meest nabij gelegen agrarische bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 270 meter van de dichtstbijzijnde te bouwen recreatiewoning. Het betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf (Wijnbergseweg 3). Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste afstand. Daarom is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geurhinder. Omgekeerd geldt dat het agrarisch bedrijf door de voorgenomen ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd.

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

4.10 Luchtkwaliteit

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Het besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. Recreatiewoningen worden niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit. Het onderhavige uitbreidingsplan draagt in 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt in voorliggend geval geen belemmering.

4.11 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te waarborgen en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan 'het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds'. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies kunnen voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het plangebied ligt direct aansluitend aan het bestaande vakantiepark. Daarnaast liggen in de directe nabijheid naast enkele woonfuncties, een sportbestemming, een bedrijfsbestemming (parketfabriek), een agrarisch bedrijf en op circa 190 meter de N316. Gelet hierop is er sprake van enige vorm van functiemenging en wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied".

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0043.png"

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

In deze situatie gaat het met name om de vraag of de voorgenomen uitbreiding van het vakantiepark leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Een recreatiepark kan worden vergeleken met de bedrijfsfunctie 'vakantiecentra' uit de VNG Handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. Een dergelijke bedrijfsvoering valt onder milieucategorie 3.1 met in het omgevingstype gemengd gebied een grootste richtafstand van 30 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0044.png"

Functies in de omgeving

In het uitbreidingsplan is met de situering van de recreatiewoningen rekening gehouden met de nabijgelegen woning Lageweg 6. De afstand van deze woning tot de meest nabij gelegen recreatiewoning bedraagt circa 50 meter. Overige woningen in de omgeving bevinden zich allen op grotere afstand dan 70 meter.

De recreatieve eenheden zijn in het kader van milieuzonering niet aan te merken als milieugevoelig met uitzondering van het aspect geur. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op geurhinder van omliggende veehouderijen.

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt in de voorgenomen opzet geen belemmering voor het plan.

4.12 Verkeer en parkeren

Verkeer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie.

In dit geval gaat het om de realisatie van luxe recreatiewoningen voor uiteenlopende groepsgroottes (8, 12 of 16 personen). Deze gebouwen zijn het best te vergelijken met de functie 'bungalowpark' (huisjescomplex). De verwachting is dat de grotere huisjes een hogere verkeersgeneratie en parkeerbehoefte met zich mee zullen brengen, aangezien deze ruimte bieden voor meer personen. Voor de 12 en 16 persoonshuisjes is daarom gerekend met een parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen en een verkeersgeneratie van 10 bewegingen (uitgaande van 4 tot 5 auto's die allen eenmaal per dag komen en gaan). Op basis van bovenstaande ontstaat volgend beeld:

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0045.png"

De uitbreiding voorziet daarmee volgens de nu voorgestane onderverdeling in woningtypen in de onderstaande toename van het aantal verkeersbewegingen (verkeersgeneratie)

  • 13 x 2,7 = 35,1 verkeersbewegingen
  • 7 x 8 = 56 verkeersbewegingen
  • 1 x 10 = 10 verkeersbewegingen

In totaal bedraagt de extra verkeersgeneratie daarmee 101,1 voertuigbewegingen.

Het bestemmingsplan biedt echter ook de flexibiliteit om hier in beperkte mate van af te wijken. Voorwaarde daarbij is dat het aantal 8-persoons recreatiewoningen ten minste 10, het aantal 12-persoons recreatiewoningen ten minste 5, en het aantal 16-persoons recreatiewoningen ten minste 1 bedraagt. Het aantal verkeersbewegingen zal daarmee in het uiterste geval maximaal 127 bedragen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0046.png"

Het extra verkeer wordt via de nieuwe ontsluitingsweg in noordelijke richting aangesloten op de bestaande ontsluitingsweg van het vakantiepark. Het verkeer wordt via de hoofdontsluiting van het park op Wijnbergseweg (N316) ontsloten. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen vlot en veilig te kunnen verwerken.

Parkeren

De parkeerbehoefte die wordt gegenereerd op basis van de CROW, is de volgende:

  • 13 x 2,1 = 27,3 parkeerplaatsen
  • 7 x 4 = 28 parkeerplaatsen
  • 1 x 5 = 5 parkeerplaatsen

In totaal bedraagt de parkeerbehoefte daarmee afgerond 61 parkeerplaatsen. Zoals blijkt uit het ruimtelijk kwaliteitsplan worden bij de 8-persoonshuisjes twee parkeerplaatsen aangelegd, bij de 12-persoonshuisjes 4 parkeerplaatsen en bij de groepsaccommodatie voor 16 personen 5 parkeerplaatsen. De flexibiliteit die het plan mogelijk maakt, leidt in de maximale variant tot een behoefte aan 71 parkeerplaatsen.

Hiermee wordt derhalve in de parkeerbehoefte voorzien.

Conclusie

De aspecten parkeren en verkeer vormen geen belemmering voor het plan.

4.13 Conclusie

Uit de toetsing van de wijzigingsvoorwaarden, alsmede de uitgevoerde onderzoeken in het kader van een goede ruimtelijke ordening in samenhang met de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de voorgenomen uitbreiding van recreatiewoningen niet op ruimtelijke, milietechnische hetzij andere belemmeringen stuit.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het wijzigingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.

5.2 Opzet regels

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels (begrippen, wijze van meten);
  • 2. Bestemmingsregels (regels bij de bestemmingen);
  • 3. Algemene regels; (anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsgregels, algemene wijzigingssregels)
  • 4. Overgangs- en slotregels.

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor:

  • 1. Groen (Artikel 3)
  • 2. Recreatie - Verblijfsrecreatie (artikel 4)
  • 3. Sport (artikel 5)

Hiernaastvoorziet het plan in de volgende dubbelbestemmingen:

  • 1. Waarde - archeologische verwachting 1 (artikel 6)

Deze dubbelbestemming blijft van toepassing op de niet op archeologie onderzochte delen in het plangebied.

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en grondwallen overeenkomstig de bij de regels opgenomen Bijlage 3 Beplantingsplan, alsmede de instandhouding daarvan, voor paden, extensieve dagrecreatie en voorzieningen ten behoeve van het bergen en vasthouden van water. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde (niet zijnde overkappingen), geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m. Terreinafscheidingen mogen een maximale hoogte hebben van 2,5 m.

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen:

  • a. het niet realiseren van de groenvoorzieningen, grondwallen en houtopstanden zoals opgenomen in Bijlage 3 Beplantingsplan uiterlijk binnen 2 jaar na de start van de bouw van de recreatiewoningen in het plangebied;
  • b. het niet duurzaam instandhouden van deze groenvoorzieningen, grondwallen en houtopstanden na realisatie daarvan;
  • c. het niet voorzien in de benodigde waterberging als gevolg van de toename van het verhard oppervlak.

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor recreatiewoningen met inpandige bergingen, welke uitsluitend zijn toegestaan door middel van bedrijfsmatige exploitatie, uitsluitend met de nadere omschrijving zoals weergegeven in de onderstaande tabel.

Adres   Nr.   Plaats   Omschrijving   Maximaal aantal recreatiewoningen   Bestaande oppervlakte aan gebouwen (m2)*   Maximale oppervlakte aan gebouwen (m2)*   Opmerkingen
 
Landweerswal   2   Braamt   Recreatie- woningen via onderstaande verdeling   21   -   2.436   Stacaravans zijn niet toegestaan.  
      8-persoons   13   -      
      12-persoons   7   -      
      16-persoons   1   -      

Het gebruik van de daken voor duurzame energieopwekking door middel van zonnepanelen is toegestaan. Hiernaast zijn de gronden bestemd voor groenvoorzieningen en houtopstanden afgestemd op het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 Ruimtelijk kwaliteitsplan.

De recreatiewoningen dienen te worden gesitueerd in een structuur zoals opgenomen in Bijlage 1 Verkavelingstekening recreatiewoningen;

De totale oppervlakte aan recreatiewoningen mag niet meer bedragen dan de maximale toegestane oppervlakte zoals weergegeven in de bovenstaande tabel en het aantal recreatiewoningen mag eveneens niet meer bedragen dan zoals aangegeven in die tabel.

De maatvoering van de recreatiewoningen mag niet meer bedragen dan in de onderstaande tabel is aangegeven. Dakkappellen worden uitgezonderd bij het meten van de goothoogte. Hiernaast zijn licht- en vlaggenmasten toegestaan en overige bouwwerken zoals tuinmeubilair en speelvoorzieningen, en terreinafscheidingen. Overkappingen zijn uitsluitend toegestaan voor zover gebouwd aan de recreatiewoning.

Functie van een bouwwerk
 
Goothoogte in m
 
Bouwhoogte in m   Inhoud in m³   Oppervlakte in m²  
8-persoons recreatiewoning   3   9   -   102*  
12-persoons recreatiewoning   3   9     135*  
16-persoons recreatiewoning   3   9   -   165*  
Overkappingen uitsluitend aan de recreatiewoning     3***     10**  
Terreinafscheiding     2,5      
Licht- en vlaggenmasten   -
 
12   -   -  
Overige bouwwerken als tuinmeubilair en speelvoorzieningen   -   2   -   -  

* de oppervlakte is inclusief inpandige bergingen

** Overkappingen als onderdeel van het dakvlak van de recreatiewoning worden niet meegerekend bij de toegestane oppervlakte aan overkappingen per recreatiewoning

Overkappingen als onderdeel van een horizontale doortrekking van het dak buiten de buitenwerkse gevelvlakken, worden niet meegerekend bij de toegestane oppervlakte aan overkappingen voor zover deze geen steun vinden op palen of andere constructieve bouwdelen, dan wel deze zich bevinden op maximaal 2 meter uit het buitenwerks gevelvlak

*** Deze maximale hoogte is niet van toepassing voor overkappingen welke onderdeel uitmaken van het dak of dakvlak van een recreatiewoning

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels ten behoeve van een beperkte wijziging in de verdeling van het aantal 8-persoons, 12-persoons en 16-persoons recreatiewoningen, alsmede de daarmee mogelijk gepaard gaande vergroting van de maximaal toegestane oppervlakte aan recreatiewoningen met dien verstande dat:

  • a. de recreatiewoningen worden gesitueerd overeenkomstig de hoofdopzet van het verkavelingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 Verkavelingstekening recreatiewoningen;
  • b. de maximaal toegestane oppervlakte per type recreatiewoning niet meer mag bedragen dan de maximaal toegestane oppervlakte zoals opgenomen in de bovenstaande tabel;
  • c. het aantal recreatiewoningen niet meer bedraagt dan 21;
  • d. het aantal 8-persoons recreatiewoningen ten minste 10 bedraagt, het aantal 12-persoons recreatiewoningen ten minste 5 bedraagt en het aantal 16-persoonsrecreatiewoningen ten minste 1 bedraagt.

Een rechtstreekse ontsluiting van de wegen binnen het plangebied op de openbare weg is niet toegestaan. Dit geldt eveneens voor het niet bedrijfsmatig exploiteren van recreatiewoningen en permanente bewoning van recreatiewoningen, alsmede het niet realiseren van de groenvoorzieningen en houtopstanden zoals opgenomen in Bijlage 2 Ruimtelijk kwaliteitsplan uiterlijk binnen 2 jaar na de start van de bouw van de recreatiewoningen (en het niet duurzaam instandhouden daarvan na realisatie). Beperkte afwijking bij de aanleg van groenvoorzieningen is mogelijk mits:

  • 1. geen afbreuk wordt gedaan aan de beoogde groenstructuur en het beoogde groene karakter van het plangebied, zoals opgenomen in Bijlage 2 Ruimtelijk kwaliteitsplan;
  • 2. streekeigen soorten worden toegepast en snel brandbare soorten daarbij waar mogelijk worden gemeden;
  • 3. de opgenomen doorzichten behouden blijven;
  • 4. de recreatiewoningen groen worden ingebed;
  • 5. uiterlijk gerealiseerd binnen 2 jaar na de start van de bouw van de recreatiewoningen.

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen, uitsluitend met de nadere bestemming welke is weergegeven in de onderstaande tabel, een en ander met de daarbij behorende voorzieningen, waaronder groenvoorzieningen, paden, parkeervoorzieningen en extensieve dagrecreatie.

Adres   Nr.   Plaats   Nadere bestemming   Bestaande oppervlakte aan gebouwen (m2)*   Maximale oppervlakte aan gebouwen (m2)*)   Opmerkingen
 
Lageweg   ong   Braamt   Sportveld   0   0    

Er zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouw zijnde toegestaan, niet zijnde overkappingen. Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen gebruik voor horeca en detailhandel en gebruik van de gronden voor nachtverblijf van al dan niet recreatieve aard.

De voor 'Waarde - Archeologische Verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

In de algemene afwijkingsregels is opgenomen dat kan worden afgeweken van de regels, gesteld ten aanzien van maten en percentages (niet zijnde aantallen woningen), mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages.

5.3 Opzet verbeelding

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0047.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1955.bplgbgbalgubstrbro-va01_0048.png"

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 Bro geeft aan dat het bestuur dat belast is met voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van dit plan heeft vooroverleg plaatsgevonden met het waterschap en de provincie Gelderland. Een samenvatting van de ingekomen reacties is hieronder opgenomen.

6.1.1 Waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap is reeds in een voorstadium door initiatiefnemer benaderd om te reageren op de waterparagraaf. Daarbij is door het waterschap gewezen op het realiseren van voldoende waterberging in relatie tot de toename van het verhard oppervlak. Zie paragraaf 4.3 Water

Hiernaast heeft het Waterschap op 23 juni 2021 gereageerd in het kader van het vooroverleg. Daarin is opgemerkt dat de watertoets naar behoren is uitgevoerd en er is rekening gehouden met waterbergingsopgaven. Bij de uitwerking van de waterparagraaf zou ook de extra verharding door wegen, parkeerplaatsen e.d. meegenomen dient te worden. Eventuele infiltratiemogelijkheid kan daarop in mindering worden gebracht.

6.1.2 Provincie Gelderland

De provincie Gelderland heeft op 10 juni 2021 aangegeven dat het voorontwerp bestemmingsplan geen reden heeft gegeven tot het maken van op- en/of aanmerkingen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Eind september 2020 heeft Landal aangegeven de omwonenden te willen informeren omtrent de ontwikkeling voor wat betreft de uitbreiding van het recreatiepark. In dat kader zijn zijn de bewoners van de Lageweg 1, 2, 2a, 4 en 6 via een groepsapp geinformeerd door één van de bewoners. Daarin is vermeld dat ze door afgifte van een e-mail adres van de ontwikkelingen op de hoogte zouden worden gehouden.

Met uitzondering van de bewoners van nr. 2a hebben alle omwonenden daar positief op gereageerd.

De bewoners zijn door Landal ook van het principebesluit van burgemeester en wethouders op de hoogte gesteld. Op 25 januari jl. zijn de omwonenden uitgenodigd voor een bijeenkomst op 29 januari waarbij de plannen zouden worden gepresenteerd. Omdat dit enigszins kortdag was zouden de omwonenden zich ook rechtstreeks kunnen wenden tot algemeen manager van Landal Stroombroek.

Van de bijeenkomst is onderstaand verslag gemaakt.

Vrijdag 29 januari om 16.00 uur korte bijeenkomst gehad voor de buren i.v.m. de uitbreiding aan de Lageweg.

Aanwezig namens

  • VvE: Voorzitter dhr. J. Scherrenberg
  • Landal: General Manager dhr. A. Valen
  • Omwonenden: dhr. Jansen nr. 5 / dhr. & mevr. Fijen nr. 1 / dhr. Buiting nr. 2

Afwezig met bericht: dhr. & mevr. Kock nr.4, afwezig zonder bericht dhr. & mevr. Hunting nr.6

Voorzitter heeft uitleg verstrekt en tekeningen laten zien over de indeling, uitstraling werkwijze en planning. Daarnaast is de procedure uitgelegd over de aanvraag van de vergunning. Buiten de positieve interesse van de buren hebben we een paar vragen ontvangen over verkeersaders tijdens bouw en daarna. Met nadruk is aangegeven dat er geen aansluiting komt tussen de Lageweg en het park na de bouw, alle gasten die de nieuwbouw bezoeken gaan via de reguliere ingang aan de Landweerswal nr. 2.

Het enige is dat er tijdens de bouw wellicht af en toe gebruik gemaakt gaat worden voor aanvoer, het is echter nog niet duidelijk of dit noodzakelijk is. Er komt namelijk ook in de omgeving een logistiek centrum die zorg draagt voor een gestroomlijnde aanvoer van materialen zodat het park ook “gewoon” open kan blijven en er geen gevaar is voor gasten en / of buren-bewoners.

Bespreking in goed overleg en sfeer geweest, er is een open lijn met de parkmanager en verder waren er geen vragen en geen bijzonderheden.

6.3 Economische uitvoerbaarheid

Gezien de verwachte huuromzet, wordt de haalbaarheid positief ingeschat. De continuïteit van de exploitatie van het park zal een positieve impuls krijgen.

De ontwikkeling van onderhavig is een particulier initiatief. De initiatiefnemer neemt dan ook alle bijbehorende uitvoeringskosten voor zijn rekening alsmede mogelijke planschade. Er wordt geen exploitatieplan vastgesteld door de raad nu de kosten op andere wijze zijn verhaald. Het opstellen van een exploitatieplan, overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening, is daarom niet nodig.